Ooit was bier een huiselijke drank, later werd het een godendrank, daarna werd het beschouwd als een drank voor de armen. Tegenwoordig wordt bier, en zeker Belgisch bier, geroemd om zijn dorstlessend en degustatief karakter evenals de wijze waarop het de hedendaagse gastronomie ondersteunt.
De oudheid
In Jarmo, het oudst gekende landbouwersdorp van Mesopotamië, werden sporen gevonden van een gerstcultuur, zo’n negenduizend jaren voor onze tijdrekening. Brouwen van bier behoorde samen met het bakken van brood tot de huishoudelijke taken van de vrouw. De oudst gekende bieren zijn niet veel meer dan een gegiste brij, afkomstig van verkruimeld brood. Tussen 3600 en 1600 voor Christus konden de Sumeriërs kiezen uit een assortiment van 16 brouwsels.
In het oude Egypte werd bier beschouwd als een geschenk van de goden waardoor er ook meerdere ‘biergoden’ (de Nijlgoden Habi, Osiris, Isis en de zonnegod Re) werden vereerd. Vanuit Peluse, het brouwcentrum in de Nijldelta van het oude Egypte, werd het bier verscheept naar Griekenland.
Grieken, Romeinen en Galliërs
In het oude Griekenland en het Romeinse rijk zegeviert de wijn. Het bier is er zoveel als de drank der armen en barbaren. Dat de Romeinen wel degelijk bier kennen, wordt afgeleid uit archeologische vondsten in Ronchinne nabij Namen. In de resten van een Romeinse villa met aanpalende brouwerij uit de derde tot vierde eeuw zijn enkele potscherven aangetroffen met het opschrift ‘Cervesariis feliciter’. In het museum van Aarlen bevindt zich tevens een bas-reliëf waarop men brouwers aan het werk ziet.
Van de Galliërs is geweten dat zij meesters waren in het brouwen van hun ‘cervoise’. De benaming cerevisia is een samenstelling van cera (graan) en vise (sterkte). Mogelijk hebben de Galliërs de houten tonnen uitgevonden om hun bier te bewaren; voordien werden hiervoor steeds kruiken, amforen en ketels gebruikt.
Rol van de monniken
In de doorbraak naar het hedendaagse productieproces hebben de monniken een voorname rol gespeeld. Omdat wijnbouw klimatologisch niet haalbaar was, schakelden monniken over op de drank van de streek, namelijk bier. Zelf brouwen was ook interessanter dan bier aan te kopen bij derden omdat je bovenop vervoerskosten vaak tolgelden moest betalen om bepaalde hertogdommen te doorkruisen. Dankzij de monniken hebben wij vlam gestookt leren brouwen en hebben wij bier leren bewaren in koele kelders.
Zo was er in het Zwitserse Sankt-Gallen in 820 een abdij gevestigd met drie ‘brouwzalen’ waar men tot 1200 liter per dag kon brouwen. Het was de eerste grootschalige bierproductie, nadat brouwen in voorgaande eeuwen vooral huisarbeid was. Andere abdijen, zoals Villers-la-Ville, volgden eeuwen later met eigen brouwerijen. Bovendien waren de monniken, met Adalardus van Zingem in 822, pioniers in het gebruiken van hop als bewaarmiddel.
Gruitrecht en hopgebruik
In de twaalfde eeuw maakte het gruitrecht zijn opwachting als de eerste vorm van accijnzen. Zo verleende de Graaf van Vlaanderen in 1190 in Brugge het gruitrecht aan de Heren van Gruuthuuse om hem van inkomsten te verzekeren. Met gruitrecht kregen zij ‘onrechtstreeks’ de groeiende nijverheid in handen. De verkoop van gruit was immers een strategisch ‘wapen’ om te laten brouwen, een monopolie uit te bouwen en vervolgens de taksen te verhogen.
Met de Novus Modus Fermentandi Cerevisiam bevestigt de Duitse keizer in 1364 het toenemende gebruik van hop in zijn keizerrijk, waardoor de inkomsten uit het gruitrecht flink waren gedaald. Abdijen waren overigens vrijgesteld van dat gruitrecht waardoor zij konden focussen op het brouwen met hop.
Abdijen inspireerden leken
Abdijbrouwerijen inspireerden uiteindelijk ook leken, die er voordien vaak als leek hadden geholpen. Zo vestigde een dertigtal private brouwerijen zich in de dertiende eeuw in de onmiddellijke omgeving van de abdij van Sint-Truiden.
Vanaf zowat 1300 ontstaan er steeds meer conflicten tussen abdij-brouwerijen en lekenbrouwers die de abdijen zagen als concurrenten. Landelijke brouwers ‘emigreren’ in het spoor van de lokale inwoners naar steden en starten aldaar brouwerijen om stedelingen te voorzien van bier, gebrouwen volgens hun landelijke recepturen en brouwmethoden. Lokale overheden zien hoe deze brouwerijen groter worden en benutten hen om accijnzen te ontvangen. Buiten de steden gaan hertogen, graven en leenheren soms zelf brouwerijen oprichten dan wel bestaande brouwerijen ondersteunen want met goed en lekker bier kon men de bevolking gunstig stemmen.
Brouwindustrie en cafés
Geleidelijk ontplooit zich een volwaardige brouwindustrie, verbetert de kwaliteit van het bier en ontstaan nieuwe opportuniteiten om bier te verkopen. Zo zien wij de eerste cafés openen in onder meer Gent (Den Turk, 1228), Leuven (Den Engel, 1395), Geraardsbergen (De Ghulden Cop, 1459), Ukkel (L’Ange nu Au Vieux Spijtigen Duivel, 1500) en Brugge (Vlissinghe, 1515). Het aantal cafés breidt snel uit en wint dermate aan populariteit dat Filips II hen verbiedt om nog drank te schenken tijdens de hoogmis op zon- en feestdagen.
In de loop van de zestiende eeuw laten stads- en gemeentebesturen zich meer en meer in regelgeving, al dan niet als bron van inkomsten. Zo gaat men bijvoorbeeld de verhouding tussen gerst en tarwe bepalen, deels ook om ervoor te zorgen dat de bakkers voldoende granen hadden om brood te bakken en hongersnood te vermijden maar even goed om te waken over de kwaliteit van het bier. Omdat grondstoftekorten en slechte oogsten ertoe leidden dat menig brouwer alternatieve grondstoffen ging gebruiken, werden ‘zuiverheidswetten’ uitgevaardigd, waarvan het “Reinheitsgebot” de meest bekende is.
Bier boven wijn
Vanaf de vijftiende eeuw wordt gehopt bier – in plaats van bier op basis van gruit – het statussymbool en verkiezen ook de begoede klasse en handelsreizigers in onze streken bier boven wijn. Bier rukt op in steden en regio’s die tot dan toe wijn dronken; wijn wordt een luxedrank en de consumptie ervan lijkt een mythe uit het verre verleden. Steden zoals Lier, Leuven, Mechelen, Diest, Tienen, Gent, Veurne, Antwerpen, Hoegaarden, Zoutleeuw groeien uit tot ware biersteden.
In de zeventiende eeuw differentieert het bierbrouwen zich sterker. Het onderscheid tussen bieren van de verschillende dorpen of regio’s werd in de eerste plaats bepaald door het gebruik van de ter plaatse geteelde granen en de kwaliteit van het gebruikte put- of bronwater. Zo wordt er gesproken van ‘Brussels half en half’, ‘Antwerps gerstenbier’, ‘Leuvense witte’, Henegouwse ‘grisette’, ‘saison’ uit Luik, ‘caves’ uit Lier, Mechelse of Herzeelse ‘Uitzet’, Dendermondse ‘Kwak’ of ‘Hoegaards’ tarwebier, ‘Oudenaards’, ‘Zottegems’ en ‘Diesters’ bruin.
Brouwers in het vizier
Aan het einde van de achttiende eeuw worden abdijbrouwerijen in het vizier genomen, ook al omdat zij heel wat voorrechten genoten en als dusdanig zorgden voor oneerlijke concurrentie. Als gevolg daarvan komt keizer-koster Jozef II in 1783 met een decreet dat de kloosters verbood om nog langer bier te brouwen.
Tijdens de Franse Revolutie in 1789 werden heel wat kloosters en abdijen vernield, verdwenen bijgevolg tal van brouwerijen en met hen ook de kennis waarover de brouwende monniken beschikten.
Wanneer het economisch leven nadien heropstart, groeien de lokale brouwerijen geleidelijk uit tot volwaardige bedrijven. Dankzij de industriële revolutie, nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen en inzichten en de introductie van nieuwe technieken kan er op grotere schaal kwalitatief beter bier worden gebrouwen. De echte doorbraak daarvan kwam er in België pas einde negentiende eeuw omdat de Nederlandse koning Willem I in 1816 met zijn vernieuwde accijnsheffing stokken in de wielen had gestoken.
Nederlandse accijnswet fnuikt modernisering
Die wet bepaalde dat de accijnzen moesten worden betaald over de netto-inhoud van de kuipen. Omdat brouwers een beslagkuip én een kookketel gebruikten, moesten zij tweemaal accijns betalen voor hetzelfde bier. Ze maakten evenwel een dik beslag dat meerdere malen werd verdund. Deze accijnsregeling negeerde echter volledig de moderne brouwtechnieken – voor onder andere het brouwen van pils – die steeds meer terrein wonnen. In het onafhankelijke België was het wijzigen van de Nederlandse accijnswet geenszins een prioriteit, dus bleven Belgische brouwers op de oude manier brouwen en meerdere bieren van één beslag maken. Als deze bieren te dun en waterig waren voor de consument, bestelden ze gewoon een jenever. Pas in 1885 werd de accijnswet van Willem I opgeheven en konden brouwers inzetten op nieuwe technologie, geruggensteund door de oprukkende wetenschappelijke inzichten in het brouwproces.
Die noodzaak voor verbeterde kennis neemt nog toe door het stijgend succes van heldere Duitse en Engelse bieren die met ongeveer 5 vol.% vaak tweemaal zo sterk waren als de meeste troebele Belgische bieren. Met de creatie van een ‘spéciale belge’ en de invoer van Angelsaksische gisten, die toelieten om sterkere bieren te brouwen, start de omwenteling in de Belgische bierwereld.
Wereldoorlogen
De bierproductie was tot na de Eerste Wereldoorlog heel sterk regionaal en lokaal georiënteerd. Rond 1900 telde België ongeveer 3.200 brouwerijen. De Eerste Wereldoorlog betekende een doodsteek voor heel wat brouwerijen. De koperen ketels, het materiaal en het wagenpark werden opgeëist door de Duitse troepen.
Na de Eerste Wereldoorlog was het aantal brouwerijen gehalveerd. De brouwerijen die moeizaam de Eerste Wereldoorlog hadden getrotseerd en opnieuw waren gestart, kregen tijdens de economische crisis van de dertiger jaren een nieuwe opdoffer. De daaropvolgende Tweede Wereldoorlog zal het aantal brouwerijen verder terugdringen; in 1946 blijven er nog slechts 775 brouwerijen over.
In de daaropvolgende decennia verdwijnen er steeds meer kleine brouwerijen omwille van de steeds grotere concurrentiestrijd en de vaak hoge investeringskosten voor nieuwe installaties. In de zeventiger jaren blijft er nog hooguit een tweehonderdtal brouwerijen over.
Heropleving speciaalbieren
Geïnspireerd door de ‘flower power’- en mei 1968-beweging worden speciaalbieren geleidelijk herontdekt. Met Pierre Celis als pionier van het Hoegaards witbier in 1965 en de Britse bierauteur Michael Jackson in 1977 wordt de Belgische bierwereld wakker geschud. Enerzijds ontdekken consumenten de schatkamer van het Belgisch bier, anderzijds realiseerden veel brouwers dat zij misschien die lokale bieren en streekbieren van weleer nieuw leven moesten inblazen. Vaak werden zij daarin uitgedaagd door een jongere generatie die aantrad in de brouwerij.
Als in 1986, op initiatief van de Confederatie van Belgische Brouwerijen, het ‘Jaar van het Bier‘ wordt georganiseerd, geeft dat de Belgische brouwerijen en bieren een enorme dynamiek.
Tussen 1985 en 2000 voltrekt zich een grote concentratiebeweging in de Belgische brouwerijsector, gevolgd door een verregaande mondialisering en forse groei van de export. Stilaan duiken er meer mini-brouwerijen op, waarvan sommigen een vaste plaats verwerven in het aanbod.
Erkend als immaterieel erfgoed
Wanneer de Belgische biercultuur in 2011-2013 achtereenvolgens wordt erkend door de
Vlaamse, Franse en Duitstalige Gemeenschap en op hun Inventaris voor Immaterieel Cultureel Erfgoed wordt geplaatst, worden de eerste stappen gezet naar een mondiale erkenning. En die komt er ook in 2016 wanneer de werelderfgoedorganisatie Unesco de Belgische biercultuur mondiaal erkend als immaterieel cultureel erfgoed.
Die erkenning heeft de Belgische brouwers zonder meer aangemoedigd om te investeren in de oprichting van Belgian Beer World Experience, dat in 2023 opende in het voormalige Beursgebouw in Brussel.