De wet Vandervelde die in 1919 werd ingevoerd, viseerde het jeneververbruik maar was onrechtstreeks de stimulans voor de Belgische biercultuur.
Einde negentiende eeuw tierde het alcoholmisbruik alom in Europa en de Verenigde Staten, waar het leidde tot de Prohibition Act. In België focuste de franstalige burgerij, met onder andere de Brusselse jurist Emile Vandervelde, op de jeneverconsumptie die oorzaak zou zijn van de armoede en de lage levensstandaard onder de arbeidersklasse. Dat lage lonen, lange werktijden en slechte behuizing een veel grotere oorzaak waren, wou men niet zien. In een rapport voor de socialistische Belgische Werkliedenpartij hekelt volksvertegenwoordiger Emile Vandervelde de ‘jeneverpest’ en roept hij op om de strijd aan te vatten tegen de ‘vijand die van binnen’ zorgt voor ellende. De burgerij focust op het gemiddelde alcoholverbruik van 8,9 liter/jaar/persoon in 1890 – een cijfer dat ook in onze buurlanden werd opgetekend – en schrijft dat toe aan de arbeidersklasse. Men ‘vergeet’ evenwel dat de stijging in vergelijking met 5,4 liter/jaar rond 1850 grotendeels komt door de invoer van dure, buitenlandse sterke dranken die alleen door de burgerij konden worden betaald.
Er worden diverse wetten en wetsvoorstellen gedaan om de alcoholproblematiek van de arbeidersklasse. Wanneer door het alcoholverbod en de inbeslagname van koperen ketels door de Duitse bezetter tijdens de Eerste Wereldoorlog het alcoholverbruik is gedaald van 5,52 naar 0,56 liter/jaar grijpt een commissie onder leiding van Emile Vandervelde die cijfers in 1919 aan om de nieuwe anti-alcoholwet van 29 augustus 1919 met een verkoopsverbod op publieke plaatsen en in cafés door te voeren; particuliere verkoop voor thuisconsumptie werd nog getolereerd weliswaar in flessen van 2 liter omdat men ervan uitging dat arbeiders daarvoor onvoldoende geld hadden.
Heeft de wet impact gehad? In de jaren ’20 van vorige eeuw schommelt het alcoholverbruik rond 2-2,5 liter/jaar/persoon, maar het is niet duidelijk of cijfers van clandestiene jeneverstokerijen (784 in 1919) daarin zijn meegerekend. Van wijn, die overwegend door de burgerij werd gedronken, stijgt de consumptie van 4,6 naar 10,10 liter. Het bierverbruik blijft redelijk stabiel op zo’n 200 liter maar daalt naar 118 liter in 1950.
Onrechtstreeks zou de Wet Vandervelde wel eens aan de basis kunnen liggen van de Belgische biercultuur. Begin twintigste eeuw was Belgisch bier veeleer ‘fluitjesbier’, reden waarom ingevoerde, Angelsaksische bieren zoals stout en scotch hier voet aan grond kregen. Belgische brouwers inspireren zich erop om sterkere eigen bieren te gaan brouwen en importeren daarvoor zelfs gist uit Engeland en Schotland. De allereerste, zwaardere abdijbieren, dubbel en tripel, ontstaan. En die sterkere bieren vormden wellicht het alternatief voor de populaire jenever die niet meer op café geschonken mocht worden.
Doorheen de jaren zwelt de kritiek aan op de Wet Vandervelde onder andere omdat horeca-uitbaters klanten niet konden verplichten om te betalen; voor alcoholische drank gold immers een vrijwillige betaling. Uiteindelijk wordt de wet in 1984 vervangen door nieuwe regelgeving die onder meer de verkoop aan minderjarigen verbied.