Belgische bierstijlen

Facebook
X
LinkedIn
WhatsApp

Dankzij eeuwenlang vakmanschap en vier verschillende gistingswijzen kan België uitpakken met authentieke Belgische bierstijlen. Een beknopte toelichting helpt je op weg omtrent het alcoholgehalte, de kleur en de bitterheid van een bier.

ALCOHOLVRIJ BIER (0,0-0,5 %vol.; 4-+120 EBC; 8-100 IBU)
In België mag bier alcoholvrij worden genoemd als het minder dan 0,5 %vol. alcohol bevat. Wanneer de merknaam op het etiket 0.0 vermeldt, mag er effectief geen alcohol in aanwezig zijn. In andere landen gelden andere normen waardoor alcoholvrij bier soms maximaal 0,0 of zelfs 2 %vol. mag bevatten. Alcoholvrij bier mag in België, net zoals in Duitsland en Oostenrijk maximaal 0,5% vol. alcohol bevatten. In Nederland ligt de limiet lager op 0,1 %vol terwijl alcoholvrij bier in Spanje maximaal 1%vol. mag tellen en in Italië en Frankrijk zelfs 2% vol. Dat verklaart ook waarom alcoholvrije bieren van buitenlandse origine, afhankelijk van het herkomstland, een lager of hoger alcoholpercentage hebben dan Belgische bieren. De EBC- en IBU-waarden van alcoholvrij bier variëren sterk omdat het aanbod in varianten op bekende bierstijlen enorm uitgebreid is, van licht tot donker, van zacht tot zeer bitter.

BARREL AGED (9-13 %vol.; 20-100 EBC; 20-36 IBU)
‘Barrel aged’ of in houten tonnen gerijpte (en soms ook hergiste) bieren werden rond de millenniumovergang geïntroduceerd door brouwerij Dubuisson. Sindsdien zijn tal van brouwerijen gevolgd met het laten rijpen van bier in houten vaten die voordien wijn, sterke drank of likeur bevatten. Vaak rijpen de bier een half jaar in die doorgaans eenmalig gebruikte tonnen en in die tijdspanne nemen zij karakteristieken van de oorspronkelijke inhoud op. Voor het eindproduct wordt dikwijls een blend gemaakt van hetzelfde bier dat op verschillende eiken vaten rijpte. De EBC- en IBU-waarden variëren sterk afhankelijk van de aangewende bierstijl en de vaten waarin het bier werd gerijpt.

BELGISCHE GERSTEWIJN (9-11,5 %vol.; 45-99 EBC; 14-40 IBU)
De Belgische gerstewijnen of zwaar donkere bieren vinden hun oorsprong in de zestiende eeuw wanneer Antwerpen de grootste Europese invoerhaven is van suikerriet en er overal ‘suickerbackerijen’ ontstaan. Brouwerijen gaan die vergistbare suiker toevoegen aan het beslag om hun uiterst voedzame bieren zachtzoetig, beter doordrinkbaar en sterker te maken.
Je mag Belgische gerstewijnen niet over vergelijken met de van origine Engelse ‘barley wines’ die een variante zijn van Engelse ales. Belgische gerstewijnen hebben een alcoholgehalte van 8 tot 11 %vol. en zelfs hoger.

BIERE BRUT (11-12 %vol: 9-10 EBC; 20 IBU)
Op basis van sterk blond bier werden in 2001-2002 enkele zogenaamde ‘bière brut’ gecreëerd. Het betreft een totaal nieuwe bierstijl waarbij men een hogegistingsbier brouwt, dit laat hergisten met champagnegisten en vervolgens laat rijpen volgens de ‘methode traditionelle’ (voordien bekend als ‘methode champenoise’). De bieren kenmerken zich door hun bleke champagnekleur, de geringe hopbitterheid en hun sprankelend karakter. Hoewel de brut-bieren werden ontwikkeld in samenspraak met wijnspecialisten uit de Champagnestreek mogen zij er niet mee in verband gebracht worden en ook geen champagnebier worden genoemd.

BLOND (6-7,5 %vol.; 10-25 EBC; 12-30 IBU)
Blonde bieren werden in de jaren ’60 van de twintigste eeuw gecreëerd als het monastieke alternatief voor zowel de bruine dubbel als het blonde pilsbier. Zij zijn vlotter doordrinkbaar en minder sterk dan tripel of sterk blond. Zij kunnen moutig, hoppig en kruidig zijn. Kenmerkend is dat zij dikwijls worden gebrouwen met een gistcultuur voor witbieren en tarwebieren waardoor zij een fruitig en licht kruidig karakter, met toetsen van kruidnagel en peper, krijgen. Omdat niet alle aanwezige suikers worden vergist, hebben zij een relatieve volmondigheid.

BRETT BIER (5,6-10 vol.%; 19-35 EBC; 25-50 IBU)
Brett-bieren hebben aan populariteit gewonnen sinds gistproducenten Brettanomyces-gisten zijn gaan commercialiseren en craft brewers hun bieren daarmee zijn gaan hergisten op fles. Het oudste, nog bestaande, Brett-bier is Orval. De bieren krijgen hierdoor aardse aroma’s die doen denken aan de geur van een stal, een paardendeken, vochtig leder of aan gerookt spek en specerijen. De Brettanomyces-gisten hebben, net zoals bij lambiekbieren, de eigenschap dat zij de suikers langdurig en verder vergisten dan klassieke biergisten.

BRUIN (5-6,5 %vol.; 60-120 EBC; 23-30 IBU)
De dorstlessende bruine bieren die onder meer in Zuid-Oost-Vlaanderen vaak het alternatief zijn voor een pils onderscheiden zich van de Vlaamse roodbruine bieren door hun moutig en soms zelfs eerder droog karakter. Deze hogegistingsbieren hebben geen vluchtige aroma’s, worden soms aangezuurd en rijpen niet op houten tonnen.

DUBBEL (6-7 %vol.; 45-80 EBC; 15-30 IBU)
Oorspronkelijk was dubbel een bier waarvoor een dubbele hoeveelheid mout werd gebruikt in vergelijking met het alledaagse of gewone bier van een welbepaalde brouwerij. Onder impuls van Westmalle is dubbel doorheen de jaren geëvolueerd naar de typische koperkleurige tot donkerbruine of bijna zwarte (abdij-)bieren met een moutige, zoetige smaak, die dikwijls contrasteert met een bitterige nasmaak. Het aroma herbergt geuren van rozijn, zoethout en kandij tot een meer gebrande toets. Het alcoholgehalte schommelt rond 6 vol.%

EXTRA / REFTERBIER / MONNIKENBIER (3,7-4,8 %vol.; 6-10 EBC; 20-35 IBU)
Laagalcoholische bieren zijn eerder zeldzaam in België. De zogenaamde refter- of monnikenbieren, die dankzij het succes van Westmalle Extra, steeds meer als bierstijl extra worden genoemd (uitgezonderd Chimay Dorée) winnen aan belangstelling. Aanvankelijk waren deze bieren een naspoeling van blond of tripel, maar gaandeweg werd een specifieke receptuur ontwikkeld. Extra’s zijn veelal hooggegiste bieren met een laag alcoholgehalte, hergisting op fles en alleszins een meer uitgesproken smaak dan alcoholvrije bieren of menig pilsbier.

FRUIT LAMBIEK (3,5-7 %vol.; 6-60 EBC; 7-25 IBU)
De basis voor fruitlambiek is een 100%, jong, lambiekbier waaraan fruitsoorten worden toegevoegd. Krieken of frambozen laat men van enkele maanden tot een jaar macereren of rijpen in houten tonnen waardoor zij een fruitig, licht vineus en zurig karakter krijgen. Moderne, zoete fruitlambieken, worden gemaakt door toevoeging van sappen en hebben daardoor ook een lichter alcoholgehalte.

INDIAN PALE ALE (6-11,5 %vol. ; 5-40 EBC ; 25-120 IBU)
India Pale Ale, afgekort IPA, is oorspronkelijk een negentiende eeuwse meer gehopte – en dus langer houdbare – Engelse pale ale. Aan de IPA wordt vaak een verhaal gekoppeld van pale ale die speciaal voor export naar het overzeese India werd gebrouwen, maar daaromtrent zijn er heel wat vragen. De bierstijl was succesvol tot begin twintigste eeuw en werd vanaf de jaren tachtig ‘ontdekt’ door Amerikaanse craft brewers die hun bieren extra zijn gaan hoppen of dry-hoppen met Amerikaanse hopvariëteiten die veel meer uitgesproken zijn dan de nobele Engelse hoppen. De Amerikaanse IPA’s werden daardoor extreem bitter en zijn geenszins vergelijkbaar met de Engelse IPA’s. Geïnspireerd door het succes op de Amerikaanse markt zijn veel Europese brouwers die Amerikaanse IPA’s gaan imiteren. IPA’s van gevestigde Belgische brouwerijen zijn over het algemeen meer gebalanceerd. Voor craft brewers was het handig meegenomen dat dry-hopping met uitgesproken aromatische hopvariëteiten toeliet om fouten in het bier te camoufleren.

LAMBIEK (5,1-6,4 %vol.; 12-26 EBC; 11-23 IBU)
Lambiek is een bier dat wordt gebrouwen met minstens 30% tarwe en dat voor 100% spontaan werd vergist door blootstelling aan de omgevingslucht in een open koelschip. Het wordt ook gebrouwen met overjaarse hop die zijn bitterheid heeft verloren maar die nog wel tekent voor een betere, langere bewaarbaarheid van het bier.

OUDE GEUZE ( 5,5-7,5%vol.; 12-27 EBC; 15-20 IBU)
Oude geuze en oude kriek zijn Europees erkend als een Gegarandeerd Traditionele Specialiteit. Dit houdt in dat men een aantal criteria moet respecteren. Oude lambiek is een lambiekbier gemaakt met minstens 30% tarwe en dat een integrale spontane gisting heeft ondergaan. “Oude geuze” wordt gemaakt door 100 % oude lambiek van spontane gisting te mengen met een gewogen gemiddelde leeftijd van minstens één jaar en waarvan de oudste minstens drie jaar heeft gerijpt op houten vaten. Het mengsel moet nagisten op fles en moet na zes maanden rijping op fles voldoen aan een aantal biochemische eisen. Oude geuze wordt dus niet gebrouwen maar is een mengeling of ‘blend’ van jong en oud lambiekbier.

OUDE KRIEK (6,5 %vol.; 33-66EBC; 15 IBU)
Oude kriek of Oude kriek lambiek wordt gemaakt door lambiekbieren te mengen met een gewogen gemiddelde leeftijd van minstens één jaar en waarvan de oudste minstens één jaar gerijpt heeft op houten vaten. Oude kriek moet ook hergist zijn in de fles. Voor oude kriek wordt tussen 120 en 400 gram krieken per liter lambiek gebruikt.
Geuze en kriek, die niet het voorzetsel “Oud” of “Oude” dragen, moeten niet zo oud zijn, er moet geen nagisting op fles plaatsvinden en het bier mag worden gefilterd, aangezoet en gepasteuriseerd.

OAKED (6,9-10 %vol.; 9-57 EBC; 20-40 IBU)
‘Oaked’-bieren onderscheiden zich van ‘barrel aged’ of op hout gerijpte bieren omdat men eiken snippers gebruikt als smaakmaker. Het bier rijpt gedurende enkele maanden in inox-tanks waarin zich houtsnippers bevinden en krijgt daardoor een lichte hout-, noot- en vanilletoets. In tegenstelling tot houten tonnen, waarin het bier wordt blootgesteld aan de zuurstof die door de duigen binnendringt, vertoeft ‘oaked’ bier in een gesloten inox-omgeving waardoor alleen de karakteristieken van de Franse en/of Amerikaanse eik worden overgezet in het bier. Afhankelijk van het basisbier variëren EBC- en IBU-waarden.

PILS (5-5,2 %vol.; 10-14 EBC; 25-45 IBU)
Pils vindt zijn oorsprong in Tsjechië en veroverde van daaruit de wereld, waarbij de bierstijl vaak werd aangepast in elk land. Zo ook in België waar Cristal Alken in 1928 het thans oudste nog gebrouwen bier is dat volgens de pils-receptuur wordt gebrouwen. Stella Artois dat in 1926 als kerstbier werd gelanceerd, was aanvankelijk eerder een bock-lagegistingsbier dan wel een echte pils. Traditioneel wordt pils gebrouwen met 100% gerstemout, Saaz-hop en op basis van onthard, kalkvrij, zacht water. Met zijn 5-5,2 %vol. is een Belgische pils iets sterker dan het Tsjechische en Duitse bier (4,5-5 %vol.). Het is ook iets minder gehopt en meer gebalanceerd.

QUADRUPEL (9-11,5 %vol.; 25-95 EBC; 9-40 IBU)
Quadrupel is een bier met een alcoholgehalte van minstens meer dan 8 %vol. en doorgaans meer dan 11% vol. Het bier is moutig-zoetig, amberkleurig en behoorlijk helder. De benaming quadrupel werd in 1991 voor het eerst gebruikt voor het Nederlandse La Trappe Quadrupel.

SAISON (3,5-6 %vol.; 6-35 EBC; 20-45 IBU)
Benaming saison verwijst naar ‘saisonniers’ of seizoensarbeiders die door landbouwers werden ingehuurd/gelogeerd en voor wie het bier specifiek werd gebrouwen. Naarmate brouwers de hoeveelheden spelt verminderden en meer gerst gingen gebruiken evolueerde saison van een zoetig naar een meer droog en dorstlessend bier met een kenmerkende hopbitterheid en een droogbittere afdronk. Vanwege de verscheidenheid aan gebruikte brouwgranen, het eventuele gebruik van kruiden en de gisting die zowel hoog als gemengd kan zijn, is het beter te spreken van een biersoort dan wel van een bierstijl. Vanaf de millenniumovergang wordt saison massaal gekopieerd in het buitenland maar die bieren zijn niet vergelijkbaar met de authentieke, Belgische, saisons.

SCOTCH ALE (7-9 %vol.; 50-72 EBC; 20-50 IBU)
Rond de jaren 1900 werden er volop Angelsaksische bieren in gevoerd in België omdat zij sterker en beter waren dan de toenmalige Belgische bieren. De moutige en zacht gehopte ‘scotch ale’ werd spoedig geïmiteerd op Belgische wijze. In 1918 werd de eerste Belgische scotch ale gebrouwen in Silly. Het zijn donkere hogegistingsbieren waarin een beperkte hoeveelheid gebrande mout wordt verwerkt. Scotch situeert zich tussen bruine bieren en stout. Doorheen de jaren zijn zij een Belgische, en meer bepaald Waals-Brabantse of Henegouwse specialiteit geworden.

SPECIALE BELGE / AMBER (5-6 %vol.; 20-40 EBC; 20-40 IBU)
De bierstijl ‘spéciale belge’ werd in 1905 gecreërd voor een wedstrijd onder Belgische brouwers om een typisch Belgisch bier te ontwikkelen dat kon concurreren met de toen populaire, massaal ingevoerde, Duitse pilsbieren en Engelse ales. De winnaar was een amberkleurig, dorstlessend, bier van 5,5 %vol. met een fijne hopbitterheid en een licht gecarameliseerd moutig karakter.

STERK BLOND (7,5-10 %vol.; 6-20 EBC; 15-35 IBU)
Sterke blonde bieren zijn kristalhelder en haast even doordrinkbaar als een pilsbier dankzij het gebruik van pils- of bleekmout en meervoudige centrifugering. Toegevoegde vergistbare suikers of maltose leiden tot een alcoholgehalte tussen 7,5 en 9,5 % vol. bij een geringe moutstorting. De vergistbare suikers maken het bier lichtjes zoetig, verhogen de doordrinkbaarheid ervan en verminderen een te uitgesproken hopbitterig karakter. De bierstijl werd einde jaren zestig begin jaren zeventig van de twintigste eeuw gecreëerd door Duvel.

STERK FRUIT (6-8,5 %vol.; 8-40 EBC; 8-28 IBU)
Als antwoord op de begin eenentwintigste eeuw bij jongeren razend populaire breezers (fruitige cocktails op basis van rum) lanceerde brouwerij Vanhonsebrouck in 2004 een 8 % vol. sterk kriekenbier op basis van een zwaar donker bier. Andere brouwerijen volgden en ondertussen worden naast ‘Rouges’ ook andere sterke fruitbieren aangeboden met perzik, framboos en tropische vruchten. Afhankelijk van het basisbier schommelen de EBC- en IBU-waarden sterk.

TAFELBIER
Tot einde jaren zestig van de twintigste eeuw was tafelbier één van de toonaangevende bieren bij de maaltijd. Tafelbier heeft een alcoholgehalte tussen 0,8 en 2,5 %vol. en is beschikbaar in blond, bruin en soms ook als ‘tripel’. De bieren worden gebrouwen als een uniek en apart brouwsel of als een zwaarder brouwsel dat nadien wordt verdund met water.

TRAPPIST
Trappist is geen bierstijl hoewel de bieren vaak als dusdanig worden beschouwd. In werkelijkheid gaat het onder meer om extra, dubbel, tripel of quadrupel. Het zijn bieren die binnen de kloostermuren van een abdij van de Cisterciënzers van de Strikte Observantie worden gebrouwen, door of onder toezicht van de monniken. De opbrengst uit de verkoop van trappistenbieren vloeien naar de abdijgemeenschap en de sociale doelen die zij ondersteunt. Alleen wanneer aan die voorwaarden is voldaan, mag het bier het logo Authentic Trappist Product (ATP) dragen. Het ATP-logo wordt ook uitgereikt aan andere producten dan bier weliswaar onder dezelfde voorwaarden met betrekking tot productie, beheer en besteding van de opbrengst.

TRIPEL (7,5-10,5 %vol.; 10-25 EBC; 15-40 IBU)
Werd er voor dubbel oorspronkelijk tweemaal zoveel mout gebruikt dan voor het gewone bier, dan lag de hoeveelheid voor een tripel nog een stuk hoger. Inmiddels gaat het al decennia om verschillende recepten voor dubbel en tripel. Tripel is, sinds de introductie ervan door Westmalle in 1934, nu overwegend een goudkleurig en relatief sterk (abdij-)bier van hoge gisting. Zij zijn behoorlijk volmondig en iets minder doordrinkbaar omdat specifieke mouten worden gebruikt. De meeste tripels onderscheiden zich door een moutige, alcoholische en soms lichtjes zoete smaak. Sommige tripels hebben een eerder kruidig aroma. Tripels zijn over het algemeen donkerblond tot goudkleurig, wat fruitiger en floraler, mogelijk wat zoeter en kruidiger en iets minder hoppig dan sterke blonde bieren.

VERSNIJBIER (5,5-8 %vol.; 7-20 EBC; 20-30 IBU)
Geuzestekers en brouwers van Vlaamse roodbruine bieren voegen zoetig jong en verzuurd oud bier van hetzelfde bier toe wat kan leiden tot een nieuwe gisting en bijgevolg ook een nieuw bier. Andere brouwers gaan verschillende bieren met mekaar versnijden tot een nieuw product. Zij hanteren meestal hetzelfde principe van jong en oud bier maar wel van verschillende bierstijlen. Vaak wordt een bestaand jong bier versneden met wat verouderde lambiek om het een wat meer belegen smaakprofiel te geven of het langer te laten bewaren.

VLAAMS ROODBRUIN / FLANDERS RED ALE (5-9,5 %vol.; 40-90 EBC; 5-25 IBU)
Middeleeuwse, verzuurde mengbieren die met een kruidenmengeling ‘gruit’ werden gebrouwen, liggen aan de basis van wat wij nu kennen als de Vlaamse roodbruine bieren van gemengde gisting. In het verleden werden zij beschouwd als zure bieren en het duurt tot 1991 wanneer zij door de Britse bierauteur Michael Jackson worden erkend als de ‘Vlaamse Bourgognes’. Het gebruik van donkere mouten en de donkere kersrode kleur hebben geleid tot de benaming ‘roodbruin’. De bieren onderscheiden zich door hun vluchtige zuurheid, fruitige esters en een melkzurig karakter.

WITBIER (4,5-5,5 %vol.; 4-10 EBC; 10-17 IBU)
Witbier vindt zijn oorsprong in de 14e-15e eeuw. De benaming verwijst naar het oud-Nederlandse ‘weit’, zoals tarwe destijds werd genoemd. Ongemoute tarwe is, naast gerst, de belangrijkste grondstof en zorgt voor een friszurig tintje. Witbier wordt gekenmerkt door zijn troebele, citroengele kleur en een dichte witte schuimkraag. Koriander, curaçao (gedroogde sinaasschillen) worden al sinds de vijftiende eeuw gebruikt; zij zijn subtiel aanwezig en onderscheiden Belgische witbier van Duitse Weizen die wordt gebrouwen met gemoute tarwe. Het bier is eerder kruidig dan hopbitterig. Het alcoholgehalte schommelt rond 4,5-5 %vol. Nadat de laatste Hoegaardse brouwerij in 1957 was gestopt met witbier zette Pierre Celis in 1965 het Oud Hoegaards Bier terug op de kaart en drong de bierstijl internationaal door.

WIT FRUITBIER (3,4-5 %vol.; 4-25 EBC; 8-65 IBU)
Decennialang werd fruitbier gemaakt door vruchten te laten macereren of sappen toe te voegen aan lambiekbier, bruin of roodbruin bier. Begin jaren negentig van vorige eeuw pakte brouwerij L. Huyghe uit met het eerste fruitbier op basis van het meer doordrinkbare witbier. EBC- en IBU-waarden variëren afhankelijk van de gebruikte vruchtensappen en extracten.