Nu zijn er al aardig wat vrouwen die brouwen. 600 jaar geleden was het anders en stuurde Mechelen een bode naar Haarlem ‘omme een wyf die bruywen sal’.
Nadat in 1425 in Mechelen een stadsbrouwerij was opgericht om ‘Haarlemsch’ bier te brouwen, werd er naarstig gezocht naar een vakbekwame brouwer. Omdat bier brouwen toen vaak nog door vrouwen gebeurde, werd een zekere ‘Aert Valke’ in datzelfde jaartal naar Schoonhoven gezonden om een ‘uitvoervergunning’ te krijgen ‘dat men ’t Haarlemsche bier te Mechelen mochte bringhen…’. In 1426 werd hij opnieuw naar Haarlem gestuurd ‘omme een wyf die bruywen sal’ te zoeken. Hij kreeg daarvoor 14 dagen tijd, ook om haar ervan te overtuigen om naar Mechelen te komen en de lokale brouwers het nodige vakmanschap bij te brengen om ‘Haarlemsch’ te brouwen.
Wat was er nu zo bijzonder aan dat ‘Haarlemsch’ bier dat men het hier wou brouwen. In de veertiende en vijftiende eeuw werd er nog zeer veel gebrouwen met het kruidige gruit en was hop nog niet ingeburgerd als grondstof voor smaak en verbeterde bewaring van bier. In het toenmalige Duitse keizerrijk was hop al ruim verspreid en gehopte bieren werden vanuit Bremen en Hamburg verscheept naar de Lage Landen, zo ook naar Haarlem waar de brouwers overschakelden van gruit naar hop. De gehopte bieren werden hoofdzakelijk gebrouwen met gerst, haver en tarwe en waren merkelijk beter dan lokale gruit-bieren in zoverre dat ‘Haarlemsch’ bier ook werd uitgevoerd naar Vlaamse steden zoals Lier en Leuven. In 1408 was zelfs 75% van het volume bier dat in Lier werd gedronken afkomstig uit Haarlem. In 1475 had het lokaal gebrouwen hopbier die plaats ingepalmd.
Overigens verleende hertog Karel de Stoute de Mechelse begijnen in 1471 vrijstelling van stadsheffingen en accijnzen voor het brouwen van bier in het Groot Begijnhof, en dat ten behoeve van de zieken die in het ‘krankenhuis’ verbleven. Het Mechelse begijnhof zou uiteindelijk uitgroeien tot het grootste van ons land en zelfs van heel West-Europa. In de bloeitijd op het einde van de vijftiende en het begin van de zestiende eeuw woonden er 1.500 tot 2.000 begijnen. Gedurende meer dan drie eeuwen, tot in 1865, brouwen de Mechelse begijnen er hun bier. In 1872 neemt de familie Van Breedam de brouwerij over en daarmee legt zij ook de basis voor wat zou uitgroeien tot brouwerij Het Anker, bekend om zijn Gouden Carolus.