Rijk worden met iets om weg te werpen

Facebook
X
LinkedIn
WhatsApp

“Als je rijk wilt worden, moet je iets uitvinden wat de mensen weggooien”, een uitspraak van William Painter waaraan je mag denken als je een bierflesje opent.

Toen er in de negentiende eeuw koolzuurhoudende dranken op de markt kwamen en ook bier een vleugje koolzuur kreeg, bleek de tot dan toe gebruikte kurkstop niet de ideale afsluiting van een fles. Omdat de kurkstop een kleine hoeveelheid lucht doorliet, verouderde het bier snel, terwijl een teveel aan koolzuur de fles wel eens spontaan liet ontkurken. Er werd dan ook ijverig gezocht naar de ideale sluiting in zoverre dat er in de Verenigde Staten in 1890 al zo’n 150 patenten waren uitgereikt maar geen enkele dop kon bekoren. Tussen 1888 en 1891 experimenteerde de Ierse Amerikaan William Painter met verschillende vormen van metalen sluitingen voor flessen met koolzuurhoudende dranken. De beste oplossing bestond er, volgens hem, in om een sluiting te ontwikkelen die je met een ‘opener’ kon verwijderen. Hij maakte diverse prototypes waarvoor hij telkens een patent aanvroeg. Omdat het ontwerp leek op een omgekeerde koningskroon was de naam ervoor zeer snel gevonden: de kroonkurk. Painter verfijnde zijn ontwerp voortdurend en kreeg op 19 mei 1891 patent US 468226 voor een metalen dop met een korte gekartelde kraag met 21 tanden en binnenin behandeld papiertje om te vermijden dat bier of frisdrank in contact zouden komen met het metaal. Waarom 21 tanden of ribbels? Proeven met kroonkurken met 20 en 22 tanden gleden minder vlot door een kroonkurkmachine en verstopten die herhaaldelijk. Met zijn patent op zak richtte hij in Baltimore de Crown Cork & Seal Company op om zijn kroonkurken met een diameter van 26 mm voor 33 cl.-flessen te fabriceren en te commercialiseren.
Op 6 februari 1894 patenteerde hij ook de flessenopener of ‘kroonkurkwipper’ zoals wij die tot op vandaag kennen.
In 1898 vond Painter nog een machine uit waarmee een arbeider in één minuut 24 flesjes kon afsluiten.
In de loop van de twintigste eeuw werd het stukje behandeld papier in de kroonkurk vervangen door een dun stukje kurk om in de jaren zeventig plaats te maken voor een stukje kunststof. Later kwamen er ook kroonkurken van 29 mm diameter voor 75 cl.-flessen.
Overigens waren bierflessen met een kroonkurk reeds alom tegenwoordig voor de Eerste Wereldoorlog en was de kurkstop zo goed als verdwenen. Alleen de oude geuze die vanaf de negentiende eeuw werd gebotteld, bleef in champagneflessen die werden afgesloten met een kurkstop. Lambiekbrouwers recycleerden die leeggoed-flessen bij restaurants omdat zij beter bestand waren tegen de hogere koolzuurgasdruk bij hergisting op fles.