Bierhoofden dronken 400 liter per jaar

Facebook
X
LinkedIn
WhatsApp

In de zeventiende eeuw piekte het bierverbruik in de Zuidelijke Nederlanden tussen 250 en 400 liter per jaar én daar was een goede reden voor.
Bier was in de zestiende en zeventiende eeuw de volksdrank bij uitstek in de Zuidelijke Nederlanden. In Lier werd er gemiddeld 0,49 liter per inwoner per dag gedronken, in Leuven was dat 0,75 liter, in Antwerpen 0,81 liter en in bierstad Mechelen dronk men 0,89 liter per inwoner per dag. Kloosterlingen, zeelieden, soldaten en dagloners kregen een dagrantsoen tussen 1,4 en 2 liter per dag. Vissers waren beter af met 3,5 liter per dag.
Begin zeventiende eeuw dronk de gemiddelde Leuvenaar 311 liter bier per jaar, maar bij studenten en lieden van de burgerij liep het volume op tot 395 liter bier waarvan het alcoholgehalte schommelde tussen omgerekend 2,8 en 8,1 %vol. Terwijl de allerjongsten melk of karnemelk dronken, nuttigden de wat oudere kinderen al dun of ‘klein bier’, dat ook werd geschonken in wees- en ziekenhuizen. Doorheen de dag werd er meestal ‘dun bier’ geschonken, maar op feestdagen, bij huwelijken en begrafenissen of na de verhuizing werden zwaardere bieren gedronken. Bieren die, voor wie het kon betalen, ook bij de maaltijd en ’s avonds werden genuttigd.
Niettemin verbaasde het bierverbruik de Oostenrijkse keizer Jozef II dermate dat hij bij zijn terugkeer naar Wenen in 1781 liet noteren dat de inwoners van de Zuidelijke Nederlanden een ‘verfranst volk van bierhoofden is’.
Dat er zoveel bier werd gedronken was ook bij gebrek aan alternatief voor het vaak vervuilde water. Om melk te kunnen drinken, moest je al een koe hebben. Chocolade (als drank), koffie en thee kwamen er pas met mondjesmaat vanaf de achttiende eeuw. In de eerste helft van de negentiende eeuw werd bier voor een groot deel van de bevolking evenwel een luxe product en dat ten voordele van jenever. Vanaf 1850 ondersteunen parlement en burgerij opnieuw het bierverbruik vanwege erbarmelijke werk- en leefomstandigheden van de arbeidersklasse en de eraan verbonden overdadige consumptie van jenever en brandewijn. Het leidt uiteindelijk tot de wet Vandervelde en het verbod op de verkoop van sterke dranken.
Naarmate de ‘alternatieven’ voor het drinkbare en dikwijls ook voedzame bier oprukken, daalt het bierverbruik naar zo’n 200 liter per jaar rond 1930. Rond dat jaartal drinkt de modale Belg jaarlijks ook al 90 liter melk, 7,5 liter jenever en sterke drank, 4 liter wijn en 15 liter frisdrank terwijl hij of zij jaarlijks ook 13 kg. koffie verbruikt. Thans drinkt de modale Belg jaarlijks nog zo’n 68 liter bier.