De Belgische Brouwers zijn de enige beroepsorganisatie die nog is gevestigd in het historische gildehuis, waar het ooit allemaal begon.
Grote Markt 10 is het enige pand aan de Brusselse Grote Markt dat nog steeds fungeert als gildehuis. Het pand stond bekend als De Gulden Boom, en was sinds de vijftiende eeuw het gildehuis van de leerlooiers (huidenvetters) en tapijtwevers. Begin zeventiende eeuw werd het verkocht aan de rijke brouwersgilde, die het in 1638 verbouwde.
Tijdens het Franse bombardement, op bevel van zonnekoning Lodewijk XIV in zijn strijd tegen koning Willem III van Oranje, werd het gildehuis tussen 13 en 15 augustus 1695 compleet verwoest. Alleen het stadhuis en het er tegenover liggende Broodhuis bleven enigszins overeind evenals de voorgevels van de huisnummers 3 tot 7. De heropbouw van de historische panden en gildehuizen gebeurde razendsnel voor die tijd. Onder leiding van architect Willem De Bruyne werd het Brouwershuis in amper drie jaar heropgebouwd en in 1698 opnieuw in gebruik genomen. Bij de heropbouw van de Grote Markt trachten gilden mekaar de loef af te steken met hun pracht en praal. En daar bonden brouwers en beenhouwers mekaar de strijd aan. Het gildehuis van de beenhouwers was immers het aanpalende De Zwaan. Wanneer je beide gevels naast mekaar ziet, bemerk hoe de dakstructuur verschillende malen hogerop werd getrokken, om toch maar de grootste en de machtigste van de stad te zijn. Om te weten wie zegevierde, moet je maar eens gaan kijken. Overigens schreven Karl Marx en Friedrich Engels in 1847 hun ‘Communistisch Manifest’ in het gildehuis van de slagers en werd aldaar ook de Belgische Werkliedenpartij in 1885 opgericht.
Toen de Fransen weerkeerden tijdens de Franse Revolutie werden de gilden opgeheven en in 1795 werden de brouwers verdreven uit hun gildehuis. Na de Belgische onafhankelijkheid kreeg de Grote Markt geleidelijk opnieuw de uitstraling van weleer met vanaf 1880 met huurpanden, winkels en horecazanden, op straatniveau en ‘appartementen’ op de verdiepingen. Uiteindelijk duurde het tot 1951voor de brouwers weerkeerden naar ‘hun’ Brouwershuis en er in 1954 in de kelder een klein museum openden, dat nog steeds toegankelijk is.
Tot op vandaag is het Brouwershuis wereldwijd één van de weinige gildehuizen die nog steeds, en dat nu al voor 75 jaar, zijn oorspronkelijk functie als zetel van de beroepsvereniging van de brouwers. Daarvan getuigen diverse symbolen in de gevel, zoals de hopranken en de hoppluk, de gerstaren en het transport van biertonnen.
Maar, wie topt er dan die monumentale gevel af. Dat is het bronzen ruiterstandbeeld van Karel van Lotharingen, hoewel er oorspronkelijk een stenen beeld pronkte van keurvorst Maximiliaan van Beieren. Het was destijds gebruikelijk om een beeld van de patroonheilige of de politieke machthebber te plaatsen om die gunstig te stemmen. Maximiliaan van Beieren was eerst landvoogd van de koning van Spanje, maar liep later over naar de Fransen. Onder het bewind van de Oostenrijkse Habsburgers werd het standbeeld in 1752 vervangen door dat van Karel van Lotharingen. Toen de Fransen Brussel binnenvielen tijdens de Franse Revolutie werd het beeld verwijderd om hen niet te schofferen.