Brewers Street

Facebook
X
LinkedIn
WhatsApp

Bier proeven alsof je verkouden bent

Wordt een bier speciaal gebrouwen om in het vliegtuig te schenken? Helemaal niet, op 10.000 meter hoogte smaakt het alsof je verkouden bent.

Het mag nog het beste bier of de beste wijn zijn, in een vliegtuig op 10.000 meter hoogte en niet geschonken in een merkglas smaakt het niet hetzelfde. Dat heeft te maken met met micro-klimaat in de cabine. Omdat de luchtvochtigheid er amper 10-20% (tegenover 75% normaal in België) bedraagt en merkelijk droger is, maak je minder speeksel aan dat zorgt voor de smaakoverdracht naar je smaakpapillen. Gecombineerde met de verlaagde luchtdruk, kunstmatig bijgesteld tot die op een 2400 meter hoge Alpentop, reageren je smaakpapillen en (reuk-)zintuigen anders, wordt de smaakbeleving minder intens en voelen tannines ruwer en droger aan. De lagere cabinedruk zorgt er ook voor dat het koolzuurgas sneller uit je drank ontsnapt, terwijl uitgerekend diezelfde belletjes bijdragen tot aroma, smaak en volmondigheid. Ook verstoort het constante achtergrondgeluid van de motoren onze smaakwaarnemingen. Met een ‘noise cancelling’-hoofdtelefoon kan je dat lawaai voor 85% afblokken.
Onderzoekers van het Fraunhofer Institut vroegen zich af waarom een verfijnde maaltijd op de grond zo saai smaakt in de lucht. De tests toonden aan dat de cabineatmosfeer – die kunstmatig wordt bijgesteld tot die van een 2400 meter hoge Alpentop – in combinatie met de koele, droge lucht aan boord de smaakpapillen verdooft, vergelijkbaar met je smaakbeleving wanneer je ernstig verkouden bent. Zoet en zout proef je tot een derde minder goed, zuur en bitter proef je dan weer beter. Mede door de cabinelucht daalt het zuurstofgehalte in je bloed met 7% , drogen de slijmvliezen in je neus uit, worden reukzintuigen minder gevoelig terwijl aroma’s en reuk belangrijk zijn voor je smaakbeleving. Dat alles verklaart waarom dat heerlijk glas bier op de grond in de lucht maar half zo goed smaakt, ook al omdat je de nuances in een smaak nog amper proeft.
Niet verwonderlijk dus dat luchtvaartmaatschappijen specifieke ‘inflight wines’ gaan selecteren om het negatieve effect van de droge lucht in de cabine en het drukverschil te compenseren. Omdat wij subtiele smaken minder goed ervaren worden vliegtuigmaaltijden volmondiger, krachtiger, zouter, kruidiger en zuurder bereid. En dat versterkend ‘umami’-effect verklaart meteen het succes van tomatensap op grote hoogte; luchtvaartmaatschappijen verkopen er haast evenveel liters van als van bier.

Een rondje voor 5 jaar Grimbergen

In 2021 opende in de abdij van Grimbergen een micro-brouwerij. Tijd voor een rondje op vijf jaar Grimbergen met Norbertijnen, Vlamingen, Walen, Fransen, Britten, Denen en Nederlanders.
Reeds vanaf de stichting in 1128 werd er in de Norbertijnerabdij van Grimbergen gebrouwen. Na de Franse Revolutie met de vernieling van abdijen en ook de verkoop van de brouwketels van Grimbergen in 1798 werd de brouwerij niet meer heropgebouwd. Wanneer in de jaren vijftig van vorige eeuw de speciaalbiermarkt ontluikt, volgt Grimbergen het voorbeeld van Affligem, Leffe, St. Feuillien, Postel en Tongerlo die voor een ‘nieuw’ bier waren gaan samenwerken met gevestigde brouwerijen. Ter zake wordt voor 1958 – het jaar van de Wereldtentoonstelling in Brussel – een akkoord gesloten met Maes uit Waarloos. Na de overname van Union in Jumet laat Maes de Grimbergen-bieren aldaar brouwen tussen 1978 en 2007, om de productie vervolgens over te hevelen naar Alken.
Met de fusie van de brouwerijen Maes en Alken-Kronenbourg in 1988 belandt Grimbergen bij het Franse BSN Kronenbourg. Wanneer het Franse moederbedrijf Danone zich meer wil toespitsen op zuivelproducten en waters wordt Kronenbourg (met Alken-Maes) in 2000 verkocht aan het Britse Scottish&Newcastle.
In 2007 lanceren het Deense Carlsberg en het Nederlandse Heineken samen een succesvol overnamebod op Scottish&Newcastle. Carlsberg verwierf toen Kronenbourg, en dus ook de licentie voor Grimbergen terwijl Heineken eigenaar werd van Alken-Maes. Heineken was in België reeds eigenaar van de Affligem-brouwerij De Smedt uit Opwijk, die vooral regionaal (en internationaal) actief was maar nationaal weinig betekende in België. Alken-Maes was daarentegen met Grimbergen wel alom tegenwoordig. Omdat Affligem en Grimbergen verschillend zijn en je de Grimbergen-drinker nooit zou kunnen overtuigen om Affligem te drinken, sloten Heineken en Carlsberg een langdurige licentie waarbij Alken-Maes in België tekent voor de marketing en het lokaal brouwen van Grimbergen. Bieren voor andere landen dan België worden onder meer gebrouwen bij Carlsberg in Frankrijk, Italië en Polen.
Terwijl de distributie van Grimbergen in België gebeurt door Alken-Maes (Heineken) sloot Carlsberg voor Nederland een akkoord met Grolsch, dat sinds 2008 toebehoorde aan SAB Miller. Wanneer SAB Miller in 2016 wordt overgenomen door AB Inbev worden Grolsch en Peroni afgestoten en verkocht aan het Japanse Asahi.
Vanaf 2021 wordt het verhaal nog wat ingewikkelder want Carlsberg opent op de abdijsite de Grimbergen Abbey Brewery, en dat zelfs op de plaats waar ooit de eerste Grimbergen-brouwerij stond. Strategisch en concurrentieel een belangrijke zet want de Deense biergroep is daarmee de enige grote speler met een eigen brouwerij in de abdij van een biermerk. AB Inbev noch Heineken hebben eigen micro-brouwerijen in respectievelijk Leffe en Affligem.
De in Grimbergen gebrouwen bieren onderscheiden zich van de andere Grimbergen-bieren, zijn hoofdzakelijk bestemd voor consumptie ter plaatse in Het Fenikshof en voor export, terwijl een beperkte hoeveelheid voor de Belgische markt wordt verdeeld via Alken-Maes.

Van bijenkorf tot ‘In de Zoete Inval’

Wat doet die omgekeerde bijenkorf bij Sint-Arnoldus en hoe komt die terecht ‘In de Zoete Inval’?

Sint-Arnoldus, de patroonheilige van de brouwers, wordt traditiegetrouw afgebeeld met een roerstok in de hand en iets wat lijkt op een omgekeerde bijenkorf. Wat het precies is? Daarvoor duiken wij de geschiedenis van het zeventiende eeuwse ambachtelijk brouwen in, zoals je het soms kan aanschouwen in Bokrijk.
Tot in de negentiende eeuw, toen er nog geen beslagkuipen met ingebouwd roerwerk bestonden, moest de brouwer samen met de brouwersgasten het beslag van gemalen mout en lauw water manueel omroeren met een zware houten roerstok. Zowel de roerstok als de meer golvende, puntige houten roergaffel of -vork werden gebruikt om het beslag voortdurend te mengen. Zo zorgde men ervoor dat de temperatuur van het wort in de met rechtstreekse vlam geleidelijk opgewarmde beslagkuip overal nagenoeg even hoog was (tot ca. 75°C). Op die manier kon men door het urenlang omroeren de enzymen vrijmaken die het zetmeel uit de mout omzetten in enkelvoudige suikers die later vergisten en alcohol vormen.
En dan die omgekeerde bijenkorf? Neen, het is geen verwijzing naar het gebruik van honing om het bier te zoeten. De kegelvormige mand is een stuikmand die fungeerde als een zeef om het vloeibare wort te scheiden van de draf. Na goed een uur sudderen werd de stuikmand met de opening naar boven ondergeduwd in het beslag. Doorheen de nauwe openingen tussen het wilgenhout stroomde het wort in de stuikmand en werd het geklaard om er vervolgens met grote lepels of potten aan een steel uitgelepeld en overgegoten te worden in een open vat om af te koelen.
Die loodzware stuikmanden in en uit het wort halen, vergde de nodige kracht en handigheid waarover niet iedereen beschikte. Daardoor zouden er ooit brouwersgasten per ongeluk in het suikerzoete wort zijn gevallen wat aan de basis zou liggen van het begrip ‘zoete inval’. Vandaaruit zou de stap zijn gezet naar ‘In den Zoeten Val’, de naam van menig herberg waar je kon – en kan – binnen vallen en steeds warm en zoet onthaald werd.

40 jaar ‘Jaar van het Bier’, 10 jaar Unesco-erfgoed

In 2026 viert de Belgische bierwereld een dubbele verjaardag: 40 jaar ‘Jaar van het Bier’ en 10 jaar Unesco-erkenning van de Belgische biercultuur.

1986 is een ijkpunt in de Belgische bierwereld want zonder ‘Jaar van het Bier’ zou de Belgische bierwereld nooit de verscheidenheid en mondiale uitstraling hebben gekregen die wij vandaag kennen. De basis daartoe werd eigenlijk in 1977 gelegd door de toen onbekende Brit Michael Jackson die de Belgische bieren wereldwijd aanprees in ‘The World Encyclopedia of Beer’. Hij rijgt de complimenten aan mekaar en zet met zijn ‘Bieratlas’ menig brouwer aan het denken over zijn toekomst en die van zijn vaak legendarische bieren. Zonder Michael Jackson was er waarschijnlijk ook geen ‘Jaar van het Bier’ gekomen in 1986. Georganiseerd door de toenmalige Confederatie der Belgische Brouwers en de toeristische diensten werd een enorme dynamiek gecreëerd. Geloof en vertrouwen in het eigen product werden versterkt terwijl het brede publiek de diversiteit van de Belgische bierwereld ontdekte tijdens opendeurdagen, tentoonstellingen en tal van andere evenementen. Het ‘Jaar van het Bier’ plaveide in zekere zin het pad naar de Unesco-erkenning van de Belgische biercultuur als immaterieel cultureel erfgoed.
De eerste, meer concrete, stappen werden in 2011 gezet door Sven Gatz, toenmalig directeur van de Belgische Brouwers, hoewel er voorafgaand al aardig wat voorbereidend werk was verricht in het Brouwershuis. “Wij moeten leren uit de problemen die de wijnwereld heeft gekend, kijken naar de opportuniteiten die de whiskystokers hebben genomen en een eigen strategie ontwikkelen voor Belgisch bier”, aldus Sven Gatz destijds in een interview.
Die strategie kwam er, maar in een land met geregionaliseerde bevoegdheden ligt dat niet eenvoudig. Unesco kent officieel alleen maar België en niet Vlaanderen, Wallonië of Brussel. En laat cultuur dan ook nog een gemeenschapsmaterie zijn. Kortom de weg naar Unesco zou diplomatisch doorheen België kronkelen. Een eerste stap werd gezet door Vlaams Cultuurminister Joke Schauvliege die de Belgische biercultuur in 2011 inschreef op de Vlaamse Inventaris voor Immaterieel Cultureel Erfgoed. In 2012 volgde een gelijkaardige erkenning door de Franse Gemeenschap, bevoegd voor cultuur in Franstalig Wallonië-Brussel. Daarmee was het dossier nog niet afgerond want ook de Duitstalige Gemeenschap moest zich achter het project scharen, wat gebeurde in 2013.
Omdat er in de Duitstalige Gemeenschap nog geen Unesco-erkenningen waren – omdat die via een beurtrol Vlaanderen-Wallonië werden ingediend – werd politiek overeengekomen dat de Duitstalige Gemeenschap het dossier zou voordragen bij Unesco. Het was de overigens de allereerste maal dat de drie gemeenschappen samen werkten rond één, Belgisch, cultureel dossier.
Concreet zou de Duitstalige Gemeenschap het dossier administratief begeleiden en verdedigen in de drie landstalen en het Engels. In de praktijk gebeurde dat door Norbert Heukemes, de secretaris-generaal van de Duitstalige Gemeenschap maar ook bierliefhebber en zelf brouwer van de kleine Eupener Brauerei. Tegenover Unesco moest worden aangetoond dat het ging om biercultuur in brede zin en niet over het commerciële product dat bier is. In maart 2015 werd het dossier ter evaluatie ingeleid bij Unesco. Daarvoor trok Sven Gatz zelfs naar Parijs om de leden van de Unesco-werkgroep op diplomatische wijze te laten kennis maken met de Belgische biercultuur. Dat leidde uiteindelijk tot de Unesco-erkenning als immaterieel cultureel erfgoed op 30 november 2016.
Aansluitend werd het Observatorium van de Belgische Biercultuur opgericht dat de borging en evolutie ervan opvolgt. Daartoe stellen professionele journalisten die de biersector en de biercultuur nauwgezet volgen tweejaarlijks een objectief rapport samen dat vervolgens als ‘stand van zaken’ wordt overhandigd aan Unesco. Er moet immers op regelmatige basis worden aangetoond hoe levend de Belgisch biercultuur is. Een erkenning als immateriaal cultureel erfgoed is immers niet definitief en dat in tegenstelling tot materieel werelderfgoed zoals bijvoorbeeld de Grote Markt van Brussel of het historisch centrum van Brugge.

Schaars, exclusief en beperkt gebrouwen

Het aandeel van ‘limited editions’ of exclusieve bieren is enorm toegenomen dankzij de opkomst van micro-brouwerijen, de vraag naar gelegenheidsbieren en nieuwe seizoensbieren zoals bieren die met verse hop worden gebrouwen.

Het aantal schaars verkrijgbare bieren was in het verleden grotendeels beperkt tot Westvleteren en Orval, waarbij je voor Westvleteren al specifieke naar de Sint-Sixtusabdij moest rijden. Ondertussen kan je Westvleteren ook bestellen in de webshop en werd er een specifieke distributie opgezet voor Nederland.
Westvleteren en Orval kan je evenwel geen ‘limited editions’ noemen omdat de bieren courant worden gebrouwen, weliswaar in een beperkt volume.
Met een verkoop tussen oktober en december-januari kan je kerstbieren eerder beschouwen als eindejaarsbieren. Bleef hun aantal decennia geleden beperkt tot een tiental bieren, dan zijn er nu al zo’n 200 beschikbaar. Dat heeft te maken met de hype ervan onder bierliefhebbers en met het feit dat brouwers hebben ervaren hoe kerstbieren een middel zijn om de verkoop op te krikken in een stille periode.
Voor de echte ‘limited editions’ werd het startschot wellicht gegeven door Het Anker toen de brouwerij in 1999 voor de eerste maal de Gouden Carolus Cuvée van de Keizer (nu Imperial Dark) brouwde op 24 februari, de geboortedag van keizer Karel V. Vanwege de populariteit worden er ondertussen van dit bewaarbier meerdere brouwsels gemaakt en gecommercialiseerd.
Een andere, populaire ‘limited edition’ is de Horal Toer de Geuze Megablend die in 2009 voor de eerste maal werd samengesteld als een ‘collaboration brew’ of beter gezegd ‘collaboration blend’ met lambieken van alle brouwerijen die deelnemen aan de Toer de Geuze. De Megablend is haast een ‘collector’s item’ in zoverre dat particulieren een fles ervan op online veilingen en verkoopskanalen soms tegen meer dan 300 euro verkopen, of het twintigvoud van de adviesprijs.
Sinds enkele jaren worden er rond het jaareinde specifieke, seizoensgebonden ‘limited editions’ aangeboden van bieren die uitzonderlijk eenmalig worden gebrouwen met vers geoogste hop. Voor de liefhebbers alleszins de ontdekking waard om meer intense hoparoma’s en smaken te ontdekken. Onder meer Leroy’s Hommelbier, De Rankes Hop Harvest en Rulles Houblon Sauvage hebben een bier gebrouwen met vers geoogste hop in hun aanbod.
Onder die grote groep van kleine brouwerijen zijn er ook die zich toespitsen op eenmalige brouwsels. Wanneer je daaraan een leuk verhaal verbindt, het bier ook nog afvult in een mooie fles en verpakt als een exclusief geschenk, kan je er doorgaans ook meer geld voor vragen.

Voor een krat trappistenbier naar Orval en Westvleteren

Westvleteren en Orval zijn de twee meest legendarische trappistenbieren omdat zij beperkt worden gebrouwen en worden verkocht aan de abdijpoort.
Jarenlang was het aantal moeilijk te vinden of exclusieve bieren als het ware beperkt tot de trappistenbieren van de cisterciënzers van Westvleteren en Orval. Van kerstbieren weten wij dat zij alleen in de eindejaarsperiode beschikbaar zijn, net zoals een bier dat naar aanleiding van één of ander evenement of verjaardag van een vereniging wordt gecommercialiseerd.
De verkoop van trappistenbieren van Westvleteren en Orval is al jaar en dag relatief beperkt. Dat heeft alles te maken met de levenswijze van de monniken. Er wordt wel eens gezegd dat ‘zij brouwen om te leven en leven niet om te brouwen’ en dat vat het heel mooi samen. De inkomsten uit de verkoop volstaan voor hun levensbehoefte, de behoeften van de abdijgemeenschap, de gebouwen en de sociale doelen die zij ondersteunen. Dat geldt overigens ook voor de trappistenabdijen van Rochefort, Westmalle en Chimay hoewel je die bieren gemakkelijker terug vindt in de distributie.
Westvleteren wordt beperkt verkocht aan particulieren die zich vooraf hebben geregistreerd. De verkoop is niet bestemd voor verdere commerciële doeleinden. Dagelijks wordt een beperkte hoeveelheid beschikbaar gesteld via de webshop. Wie ter plaatse, in de abdij wil aankopen, moet zich eveneens vooraf registreren en aangeven met welke wagen (nummerplaat) men de bestelling komt afhalen op een specifieke datum en binnen een opgegeven tijdslot. De verkoop is beperkt tot één krat per wagen. Ook tegenover de brouwerij, in café In De Vrede, kan je beperkt Westvleteren kopen zonder vooraf te bestellen. Sinds 2024 wordt Westvleteren in Nederland beperkt verkocht in de distributie. Daartoe werd een specifiek distributiesysteem opgezet waarmee men een einde wil maken aan de verkopen die er werden georganiseerd tegen woekerprijzen, waarbij soms tot 15 euro voor een flesje werd gevraagd.

Wetenschap wil meer onderzoek naar lage alcoholconsumptie

Wetenschappers dringen aan op meer onderzoek naar de impact van lage en matige alcoholconsumptie alvorens conclusies te trekken met betrekking tot gezondheidsrisico’s.

Iedereen is het erover eens dat buitensporig alcoholgebruik aanzienlijke gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. Over matig alcoholgebruik, wat wordt beschouwd als één tot twee glazen bier of wijn per dag, zijn de meningen uiteenlopend.
“De meest recente verklaring van de American Heart Association biedt een duidelijk en op bewijs gebaseerd perspectief op alcoholgebruik. In het licht van deze richtlijnen moet de discussie over alcohol en cardiovasculaire gezondheid gebaseerd blijven op wetenschappelijke expertise en toevertrouwd worden aan gekwalificeerde specialisten, in plaats van gedreven te worden door ideologisch gemotiveerde of overdreven enthousiaste anti-alcoholpleitbezorging”, aldus wetenschapper Patrick Mullie. “Het huidige bewijs ondersteunt niet de bewering dat matig alcoholgebruik—gewoonlijk gedefinieerd als één tot twee standaarddrankjes per dag voor volwassenen—inherent giftig is. Hoewel overmatig alcoholgebruik ongetwijfeld geassocieerd is met aanzienlijke gezondheidsrisico’s, geven de beschikbare gegevens aan dat matig gebruik, wanneer het wordt gezien in de bredere context van individuele gezondheidstoestand en leefstijlfactoren, niet als toxische blootstelling wordt beschouwd”.
De studie (juni 2025) van de American Heart Association (AHA) stelt meermaals en onomwonden dat er nog meer onderzoek moet gebeuren naar lage tot matige alcoholconsumptie alvorens definitieve conclusies getrokken kunnen worden met betrekking tot gezondheidsrisico’s. Gezien het niveau van het bewijs is het nog steeds onduidelijk of alcoholgebruik onderdeel is van een gezonde levensstijl. Daar tegenover staat dat zwaardere alcoholconsumptie, zoals ‘binge drinking’ en meer dan drie glazen per dag, consistent wordt geassocieerd met slechte resultaten.
Bovendien stelt de AHA dat decennia van beperkte studies hebben geleid tot tegenstrijdige aanbevelingen en berichten. Omdat er nog te veel onbekende factoren zijn, is verder wetenschappelijk onderzoek gerechtvaardigd.
Een recent standpunt (september 2025) in The Journal of the American Medical Association belicht de complexiteit van onderzoek naar de impact van matige alcoholconsumptie op de gezondheid. “Het is tijd om verder te gaan dan sensationele beweringen over matige alcoholinname en kanker, en in plaats daarvan de volksgezondheidsinspanningen te richten op problematisch alcoholgebruik. Belangrijk is dat het risico op borstkanker dat gepaard gaat met overtollig lichaamsvet en lichamelijke inactiviteit aanzienlijk hoger is dan dat van matig alcoholgebruik”, aldus JAMA.

Bottelgist beschermt unieke bieren

Pientere jonge ‘craft brewers’ recupereerden ooit biergist uit flesjes van hun favoriete bier hopend om het te kunnen nabootsen, maar die tijd lijkt voorbij.
Toen de ‘craft beer’-rage een twintigtal jaar geleden losbarstte, droomde menig enthousiaste brouwer ervan om zijn Westmalle Tripel, Duvel, Orval of een ander uniek en alom geprezen bier te kunnen nabrouwen. Omdat bieren met hergisting op fles toen soms nog zichtbare hoeveelheden gistdepot bevatten, werd die gist gerecupereerd en opgekweekt tot een eigen gistcultuur waarmee men verder ging brouwen. Sommigen hadden altijd een leeg flesje op zak opdat zij tijdens een cafébezoek – of beter nog, een brouwerijbezoek – om het eventuele gistdepot van hun favoriete bier mee huiswaarts te nemen. Anderen trokken dan weer hun stoute schoenen aan en stapten naar brouwerijen met de vraag of zij wat gist konden kopen. Was het niet om gezondheidsredenen dan was het omdat hun opa of oom duivenliefhebber was en gist voedzaam en gezond was voor wedstrijdduiven.
Keken brouwers aanvankelijk nog geamuseerd toe, dan wijzigden zij daarna hun strategie. De verkoop van biergist werd strikt beperkt of verboden. Ook werd de hoeveelheid gist per brouwsel strakker gedoseerd en werd er overgeschakeld op specifieke bottelgisten. Die bottelgisten waren geenszins familie van de gistculturen die men gebruikte om het bier te brouwen. Het zijn veeleer bakkersgisten die het beetje suiker dat werd toegediend voor de hergisting op fles omzetten in alcohol en koolzuur zonder mogelijke beïnvloeding van de smaak van het bier. Bovendien krijg je dankzij die bottelgist sneller een stabiele smaak in je bier en ga je de veroudering enigszins tegen. Bijkomend voordeel van die bottelgist is dat die beter op de bodem van het flesje blijft kleven wat dan weer het uitschenken vergemakkelijkt.
Omdat de bottelgist totaal verschillend is van de gebruikte hoofdgist zal het brouwen van een eigen ‘Westmalle Tripel’, ‘Duvel’ of ‘Orval’ bijgevolg een droom blijven.

Bier drinken met een rietje

Je ziet Sinterklaas of de kerstman wel eens met een rietje van een glas bier drinken. Zelfs de Sumeriërs deden het al millennia geleden.
Als Sinterklaas of de kerstman, al dan niet stiekem, al eens met een rietje van een pintje drinken, dan is het omdat zij hun stevige, golvende baard niet willen bevuilen en ontsieren met schuim.
De Sumeriërs dronken ook al bier met een rietje en samen met anderen lurken aan bier uit een grote karaf was toen zelfs een sociaal gebeuren.
De eerste rietjes werden gebruikt door de Sumeriërs, vermoedelijk om er helder bier mee te kunnen drinken. Het toenmalige bier is niet vergelijkbaar met wat wij nu drinken. Het was veeleer een dikke brij vol zwevende graandeeltjes en bijproducten van het brouwproces. Dit was geen bier dat je zomaar kon inschenken en waaraan je zalig kon nippen. Het bier, vaak gemaakt van gerst of emmertarwe, onderging een fermentatieproces waardoor het rijk was aan residuen. Door het gebrek aan geavanceerde filtermethoden bleven deze vaste bijproducten in de drank achter, waardoor directe consumptie een korrelige, en wellicht onaangename, ervaring was. Om die klonterige vloeistof echt drinkbaar te maken, bedachten de Sumeriërs een ingenieuze oplossing: rietjes.
Moeten Sinterklaas en kerstman het stellen met een bamboe- of kartonnen rietje, dan werden de Sumeriërs verwend met een gouden buis ingelegd met de kostbare azuurblauwe ondoorzichtige steen ‘lapis lazuli’. Archeologen hebben grote bierpotten opgegraven met meerdere rietjes die uit de rand staken. Die Sumerische rietjes waren lange, handgemaakte buizen van materialen zoals riet of edelmetalen, bestemd voor de elite.
In 1897 ontdekten archeologen tijdens opgravingen in een oude grafheuvel nabij Maikop in Rusland acht buizen van goud en zilver. Elke buis was meer dan een meter lang en had een diameter van ongeveer een halve centimeter. Aanvankelijk dacht men dat die buizen een vorm van scepters waren maar toen men vaststelde dat zij hol waren, opperde men dat het steunpijlers waren waarin baldakijnen en ornamenten werden geprikt.
Pas veel later kwam men erachter dat het rietjes waren om bij de vloeistof – het vloeibare goud – te komen, tussen de drijvende resten in de bovenlaag en het bezinksel op de bodem. Aanvullend beschikten zij zelfs over kleine zeefjes om te vermijden dat men al die restproducten zou binnenspelen.
De rietjes waren niet louter functioneel. Zij creëerden ook het ritueel om samen een karaf of amfoor bier te ledigen, net zoals men nu samen een glas gaat drinken. Het samen drinken van bier was een middel om een gevoelen van samenhorigheid en verbondenheid te bevorderen. Bier speelde overigens een belangrijke rol in de Sumerische samenleving. Het was ook een middel dat – vanwege zijn hoge voedingswaarde – werd geruild voor edele metalen, stenen of hout. Arbeiders werden ermee betaald voor hun werk en ook ‘internationaal’ werd het diplomatiek benut in commerciële én politieke relaties.

Tegestologen en hun passie voor bier

Zij behoren wellicht tot de meest gepassioneerde bierliefhebbers maar niemand kent hen bij hun wetenschappelijke naam, de tegestologen.

Tegestologen? Nooit van gehoord. Tegestologie verwijst naar het Latijnse ‘teges’ wat deksel of mat(je) betekent. Je kan het omschrijven als ‘bierviltjeskunde’ en de verzamelaars ervan, verenigd in de Gambrinusclub, worden tegestologen genoemd vanwege hun vaak unieke en waardevolle collecties.
Maar, waar komt dat bierviltje nu vandaan? Rond 1880 werd het eerste kartonnen bierviltje in Duitsland door Friedrich Horn gelanceerd als een dekseltje dat je bovenop je glas plaatste om te vermijden dat er insecten in zouden vallen; vandaar dat er in het Duits wordt gesproken van ‘Bierdeckel’.
In het Engels heet het bierviltje dan weer ‘coaster’, verwijzend naar de ‘bottle coaster’, het kleine ronde tinnen of zilveren schaaltje waarin een wijnfles werd geplaatst bij het decanteren ervan. Deze flessenschaaltjes stonden op kleine wieltjes en werden aan tafel van de ene naar de andere gast gereden of ‘gekanteld’, net zoals een ‘coaster’, een schip dat langs de kustlijn van de ene naar de andere haven vaart.
Pas nadat Robert Sputh in 1892 in Dresden een bierviltje patenteerde dat op basis van houtpulp werd gemaakt en dat het vocht beter absorbeerde, is men het onder het glas gaan plaatsen om lekkend bier en schuim op te vangen en de tafel droog te houden. Vanaf dat ogenblik zagen de brouwerijen er een middel in om hun bier te promoten. Aanvankelijk werden viltjes in één kleur bedrukt, pas halfweg de twintigste eeuw maakte vierkleurendruk opmars.
Het oudste, tot op heden bekende, Belgische bierviltje dateert van voor 1912 en werd uitgegeven door brouwerij d’Akkergem uit Gent, later opgegaan in Aigle-Belgica. Rond 1919 had een brouwerij uit Eupen ook al een bierviltje. De grote doorbraak van bierviltjes komt er na de Eerste Wereldoorlog. In de jaren zeventig van vorige eeuw duiken thematische bierviltjes op en ontstaan er, vaak legendarische, reeksen en verzamelingen. In de tachtiger jaren lijken die over hun hoogtepunt heen, tot Hoegaarden in de jaren negentig start met zijn humoristische zeshoekige viltjes waarop je spreuken en gezegden kon aanvullen.
Doorheen de jaren kregen bierviltjes ook andere functies bijvoorbeeld om kwakkelende café-tafels stabiel te houden en kinderen stil te houden met het bouwen van piramides van bierviltjes. Omdat de achterkant niet is bedrukt, worden er bestellingen op genoteerd of kan je er zaken op kwijt die je niet mag vergeten. En ‘oh wee’, wie ‘minderwaardige’ aan weerszijden bedrukte bierviltjes verspreidt waarop je niets kan noteren. Zelfs weddenschappen werden erop afgesloten.

Legendarisch is die van 25 maart 2010 tussen Johan ‘Wanne’ Madalijns, voorzitter van de bierliefhebbersvereniging De Lambikstoempers, en Johan Van Dijck, marketing directeur van Duvel Moortgat, die zich ertoe engageerde om de in 2007 eenmalig uitgebrachte Duvel Tripel Hop opnieuw te brouwen. Voorwaarde was wel dat de Lambikstoempers op hun Facebook-pagina ‘Wij willen Duvel Tripel Hop’ na één maand minstens 10.000 vrienden zouden tellen. Het werden er meer dan 17.000 en de Duvel Tripel Hop werd opnieuw gebrouwen en vast opgenomen in het Duvel-gamma.

Bier blenden is een kunst

Bier blenden of het vermengen van jong en oud bier tot een harmonisch en gebalanceerd nieuw bier is een kunst.
Het klinkt op het eerste gezicht eenvoudig, maar is het helemaal niet. Het gaat immers om veel meer dan bier van 1, 2, 3 en meer jaren met mekaar te blenden tot een nieuw bier. Lambiekbrouwers, geuzestekers en brouwers van roodbruine bieren van gemengde gisting hebben er een ambacht van gemaakt waarin persoonlijk vakmanschap sterk tot uiting komt.
Omdat lambiekbieren en roodbruine bieren worden opgeslagen in eiken tonnen krijgt de natuur enigszins vrij spel. In tegenstelling tot op hout gerijpte bieren waarbij men vanilletoetsen, de smaak van hout of van de vorige inhoud (wijn, sterke drank, likeur, …) bewust in het bier wil krijgen, is de houtsmaak grotendeels ondergeschikt of zelfs afwezig waardoor je nauwelijks nog kan achterhalen waarmee de tonnen oorspronkelijk waren gevuld. In de houten tonnen waarvan de duigen nog voldoende zuurstof doorlaten voltrekt zich onder meer een spontane vergisting en ontwikkelen zich ook melkzuur- en azijnzuurbacteriën die eerst organische zuren vormen die vervolgens worden omgezet in fruitige esters.
Combineer dat proces met de impact van de grootte van de tonnen, tussen 225 en 65.000 liter, evenals met de ouderdom van de tonnen, van enkele jaren tot soms bijna 200 jaar, en je legt de basis voor een complex bier. Hou daarbij nog rekening met de temperatuur in het vatenmagazijn en de eventuele lig- of standplaats van de ton of de rechtopstaande foeder. Bovendien evolueert hetzelfde bier in elke ton anders, ook al is die door dezelfde kuiper gemaakt van hout van dezelfde boom.
De brouwer of steker die bieren gaat blenden, moet uitermate geconcentreerd te werk gaan en – los van chemische analyses – hoofdzakelijk op basis van zijn goed getrainde smaakpapillen bepalen welke bieren uit welke vaten hij of zij wil samenvoegen. Bovendien moet hij of zij kunnen inschatten hoe dat nieuwe bier gaat smaken en verder gaat evolueren bij hergisting op fles.
Dat hetzelfde bier, gegist en/of gerijpt, in verschillende houten tonnen anders evolueert en smaakt, kan je ontdekken wanneer brouwerijen zoals Boon en Rodenbach hun exclusieve vaten- of foederbieren uitbrengen. Het betreft dan bieren die zijn afgetapt uit één specifieke ton en die niet werden geblend of hooguit heel beperkt met het oog op verdere nagisting op fles.

Vergeten en vertrouwde kerstbieren

België heeft een rijke traditie aan kerstbieren. Van enkele bieren weten wij het niet meer, anderen schitteren al enkele decennia.

Rond de jaren 1900 doken de eerste, uit Groot-Brittannië ingevoerde kerstbieren op in België. In Charleroi werden in 1896 wellicht de eerste Christmas ales geschonken in Le Cheval Arabe en Le Globe die bekend stonden om hun aanbod Engelse bieren. In 1900 schonk men in de Oxford Bar in Brugge de eerste Christmas uit. Overigens was Christmas als dusdanig geen specifieke bierstijl in Groot-Brittannië en ging het wellicht om scotch ales die anders werden gepositioneerd.
Ondernemende Belgische brouwers pikken de vraag naar kerstbier op en brengen eigen varianten uit. Zo probeert Alfred Jadin uit Dampremy in 1903 zijn tripel te verkopen als ‘bière de Noël’ en brengt Beaudrihaye uit Luik in 1907 zijn Canterbury Christmas uit. De echte doorbraak van kerstbieren komt er in België pas na de Eerste Wereldoorlog.
Van Stella Artois wordt verteld dat het in 1926 als kerstbier werd gelanceerd maar het werd al in juni van dat jaar voor de eerste maal gebrouwen en vanaf september gecommercialiseerd.
Het wellicht oudste ‘Belgische’ kerstbier is Gordon X-mas dat in 1934-1935 op vraag van de Engels-Antwerpse invoerder John Martin in Schotland wordt gebrouwen. Op het eerste in België gebrouwen kerstbier is het wachten tot 1947 wanneer Alfred Van Roy zijn klanten voor de 200e verjaardag van de brouwerij verwende met de koperkleurige Dobbel Palm. Met zijn 6 %vol. werd deze iets sterkere variante van Spéciale Palm (5,2 %vol.) zonder meerprijs verkocht als eindejaarsgeschenk van de brouwer aan zijn trouwe klanten. Aanvankelijk werd er geen specifiek etiket ontwikkeld voor Dobbel Palm en kleefde men het etiket gewoon ondersteboven op de fles. Een jaar later, in 1948, volgt Chimay met een ‘Bière de Noël’, dat dermate in de smaak valt dat het vanaf 1954 het vaste gamma vervoegt als Chimay Bleue. De trappisten van Rochefort volgen in dat jaartal met het kerstbier Rochefort 8.
Vanaf de jaren ’70 komen er nieuwe kerstbieren bij zoals Slaghmuylder’s Kerstbier-pils, St.Feuillien Cuvée de Noël (1969) en Avec les Bons Vœux de la Brasserie Dupont (1970) dat is uitgegroeid tot een klassieker onder de saison-bieren.
Vanaf de jaren ’90 diversifieerde het aanbod verder met onder andere Blanche de Noël (1991) en Bush de Noël (1991). Gaandeweg zijn meer en meer brouwerijen, onder druk van de marketing, kerstbieren gaan commercialiseren omdat het een middel is om het minder bierverbruik in de kerstperiode op te vangen. Ondertussen wordt er steeds meer gesproken van eindejaarsbieren want consumenten kopen nog amper kerstbier na 26 december.

Gruit is meer dan een kruidentuiltje

Gruit is wellicht meer dan de kruidenmengeling die middeleeuwse brouwers gebruikten in plaats van hop.

Decennialang werd ervanuit gegaan dat gruit louter een kruidenmengeling was die middeleeuwse brouwers gebruikten om hun bieren meer smaak te geven. Of, anders gezegd, om foute smaken te verdoezelen want bier werd toen in veel minder hygiënische omstandigheden gebrouwen en infecteerde ook veel sneller. Gagel (ook bekend als myrthe of Myrica gale) was in onze streken één van de vaste kruiden in gruit, net zoals rozemarijn en laurier. Streek- en seizoensgebonden werd de gruit-mengeling aangevuld met kruiden zoals anijs, jeneverbes, karwij, salie en duizendblad
Uitgebreid onderzoek dat Leendert Alberts enkele jaren geleden verrichtte, toont aan dat gruit meer was dan het ‘kruidentuiltje’. Gruit was eerder een ingekookt moutbeslag waaraan de gist van een vorig brouwsel werd toegevoegd of dat men enige tijd bloot stelde aan de buitenlucht opdat zich een spontane gisting zou voltrekken. Aanvullend werden kruiden toegevoegd en werden de kruiden met ‘heve’ (gist) opgeslagen in een ‘hevevat’ of gruitvat dat werd afgesloten. Hierdoor kon de gisting langzaam op gang komen, terwijl het vrijkomende koolzuurgas en het deksel het beslag beschermden tegen ongewenste infecties.
Brouwers kochten gruit aan in het ‘gruithuis’ (cfr. Gruuthuse in Brugge) – waardoor het een eerste vorm van accijns is geworden – en gebruikten die ‘giststarter’ voor het opkweken van voldoende gist om toe te voegen aan hun eigen wort. Je kan het enigszins vergelijken met de zuurdesem die wordt gebruikt bij de bereiding van brood. Deze ‘zuurdesem’ voor bier werd overigens in het Latijn omschreven als ‘Fermentum’.
Uit onderzoek blijkt dat middeleeuwse gruithuizen naast kruiden granen en mout aankochten. Ook beschikten zij over kuipen en koperen ketels wat laat veronderstellen dat die werden gebruikt om er een moutbeslag in te maken. De zestiende eeuwse Vlaamse botanicus Mathias de l’Obel beschrijft zelfs hoe dat ‘gruit’ werd aangemaakt.

Het verdrag van Verdun en Belgisch bier

Wat hebben het verdrag van Verdun, de verdeling van het rijk van Karel de Grote en de Schelde te maken met Belgisch bier?

Uit de geschiedenislessen herinneren wij ons misschien nog dat het Frankische Rijk in augustus 843 door het verdrag van Verdun werd verdeeld onder de drie zonen van Lodewijk de Vrome, zoon van Karel de Grote en medekeizer van het Heilige Roomse Rijk. Na zijn dood in 843 werd het Frankische Rijk door het verdrag van Verdun verdeeld onder zijn drie zonen, die onderling waren verwikkeld in de Karolingische Oorlog.
Karel kreeg West-Francië, het latere Frankrijk. Lotharius verwierf Midden-Francië met Lotharingen en het grootste deel van wat nadien de Nederlanden zou worden. Het Oost-Frankische Rijk met Noord-Oost-Nederland werd toegewezen aan Lodewijk en zou later deel uitmaken van het Heilige Roomse Rijk. De respectieve grenzen werden bepaald door de grote stromen. En daar speelt de Schelde een belangrijke rol in de geschiedenis van het Belgisch bier.
West-Francië, het gebied op de linkeroever van de Schelde, behoorde toe aan de Franse koning en stond bekend als Kroon-Vlaanderen. Oost-Francië, op de rechteroever van de Schelde, omvatte ook Brabant, werd in leen gehouden van de Duitse keizer en werd Rijks-Vlaanderen genoemd.
In het Duitse keizerrijk – en bijgevolg ook in Rijks-Vlaanderen – was men, vanwege de betere bewaring, verplicht om met hop te brouwen. In Kroon-Vlaanderen kende en gebruikte men weliswaar hop maar hield men veeleer vast aan het vaak verplichte gebruik van gruit, de verzurende vergisting en het versnijden van oud en jong bier als bewaarmethode, waarmee meteen de basis was gelegd voor wat wij nu kennen als de roodbruine bieren van gemengde gisting.
Hoewel de Schelde in de eerste plaats een handelsroute was, vind je van die grens tussen Kroon– en Rijks-Vlaanderen nog sporen terug in de Oudenaardse bruine bieren. Roman bevindt zich op de rechteroever in Mater (Ename) en brouwde met hop, zoals opgelegd door de Duitse keizer. Liefmans was oorspronkelijk gevestigd aan de Krekelput op de linkeroever, in Kroon-Vlaanderen, en brouwde met verzurende vergisting. Toen de waterbevoorrading aan de Krekelput in 1923 het gedrang kwam, verhuisde de brouwerij naar een nieuwe site, aan de Aalststraat, op de rechteroever en dus in Rijks-Vlaanderen. De originele receptuur met verzurende vergisting en het versnijden van oud en jong bier bleef behouden en dat verklaart meteen de zoetig-zurige toetsen die je terug vindt in de authentieke Liefmans-bieren.

Wat was er eerst, bier of wijn?

Wat was er nu eerst, bier of wijn? Wijn heeft zijn status mee als drank van koningen en goden, bier is de drank van het volk.

De eeuwenoude vraag heeft waarschijnlijk al geleid tot verhitte gesprekken aan togen en stamtafels en zelden een diplomatisch antwoord opgeleverd. James Bayley tracht er een antwoord op te geven. Onderzoek situeert de oudst bekende bierproductie zo’n 13.000 jaar geleden in de Natufische cultuur. In de Raqefet-grot in het Karmel-gebergte in het Noorden van Israël werden stenen vijzels gevonden met resten van een bier op basis van tarwe en gerst, wat erop wijst dat de Natufiërs al vertrouwd waren met mouten en brouwen van granen. Mogelijk zou het brouwen van bier bij deze semi-sedentaire verzamelaars een motivatie zijn geweest om granen te gaan verbouwen.
In het Oud-Egyptische Abydos werden dan weer ruïnes gevonden van een 5000 jaar oude brouwerij die op ‘industriële’ schaal zo’n 225 hl. per brouwsel kon bereiden. Die grote hoeveelheid zou dan weer geschikt zijn geweest voor koninklijke evenementen, feesten en mogelijk dagrantsoenen voor de arbeiders die piramiden en paleizen bouwden.
In Europa vinden wij de oudste sporen van bier terug rond 5500 voor Christus. Bieren, gebrouwen door jager-verzamelaars en landbouwers waren veeleer gefermenteerde dranken van gemengde oorsprong waarin zowel granen als wijn en mede (honingwijn) werden verwerkt. De oudste vormen daarvan kwamen voor in het Middellandse Zeegebied (5000-4000 voor Christus) om van daaruit door te dringen naar Centraal-, Noord- en West-Europa. De vroegste archeologische resten werden aangetroffen in de Cova de Can Sadurní nabij Barcelona.
Oude Grieken en Romeinen hadden het evenwel niet hoog op met bier dat een drank was voor het gewone volk en barbaren. Plinius de Oudere stelt zelfs dat het voor een bespreking van dranken beter is om over te gaan op die van wijn.
Hoewel de geschiedenis van wijn eveneens teruggaat tot de prehistorie wordt het vroegste bewijs ervan pas rond 6000 voor Christus gesitueerd in de Zuidelijke Kaukasus, in Georgië. Volgens een studie in de Proceedings of the National Academy of Sciences bevatte neolitisch aardewerk uit de regio sporen van wijnsteenzuur, appelzuur en andere biomarkers van druiven.
Rond 3000 voor Christus importeerden de Egyptenaren wijnen uit Kanaän, begroeven ze hun farao’s met kruiken wijn en groeide wijn uit tot een statussymbool in het sociale en religieuze leven.
Alle feiten op een rijtje gezet, is bier als bewust bereide alcoholische drank bijgevolg vijf millennia ouder dan wijn. Mogelijk heeft de drang naar bier de mensheid misschien zelfs aangespoord tot landbouw, althans volgens de huidige beschikbare archeologische studies.

Van bierpijpleiding, bièroduc, zythoduc en lambicoduct

Bierpijpleidingen, ze spreken tot de verbeelding maar ze bestaan echt en niet alleen in Brugge.

Bierpijpleidingen behoren grotendeels tot de zogenaamde ‘urban legends’. Wanneer de Boomgaardstraat in Antwerpen ter hoogte van brouwerij De Koninck en stamcafé De Pelgrim werd opengelegd voor wegwerkzaamheden poseerden er altijd wel werkmannen in de put met een bolleke Koninck en een doorgezaagde leidingen. In Westmalle ging het er eveneens zo aan toe bij werkzaamheden op de Antwerpsesteenweg. Daar was het pas echt geloofwaardig, meer dan 750 meter scheiden de brouwerij van de tapkranen in Café Trappisten.
Maar in 2015-2016 wordt de legende werkelijkheid, althans in Brugge waar brouwerij De Halve Maan een 3.276 meter lange bierpijpleiding gaat aanleggen tussen de brouwerij aan het Walplein en de afvullijn in de kmo-zone Waggelwater aan de stadsrand. Op 16 september 2016 wordt de bierpijpleiding officieel in gebruik genomen.
Voor de realisatie van het project dat zo’n 4 miljoen euro kostte, startte De Halve Maan ook een crowdfunding-campagne die zo’n 340.000 euro opbracht en daarmee de op dat ogenblik grootste crowdfunding in België was.
Tot op vandaag wordt elke liter Brugse Zot en Straffe Hendrik in de Brugse binnenstad gebrouwen. Dankzij de bierpijpleiding worden jaarlijks zo’n 500 tankwagens uit de smalle straten rondom de brouwerij gehouden. De pijpleiding bestaat uit vier parallel-buizen voor biertransport en –reiniging. Om de kwaliteit en de karakteristieken van het bier niet te schaden, wordt het tegen laag debiet door de leiding gestuwd. Doorheen de pijpleiding stroomt het bier aan zo’n 50 hl./u. Daarmee wordt de afstand tussen brouwerij en bottelarij overbrugd in een halfuurtje. Het traject loopt onder meerdere waterlopen, de historische reien, 34 meter diep onder de ondergrondse parking van het Zand door en onder de historische stadsvesten. Hoewel de pijplijn nergens onder privé eigendommen leidt, zouden sommige Bruggelingen toch een aftakking met een tapkraan tot in hun woning gemaakt hebben. Of is dat ook weer zo’n stadslegende…
Maar, er ligt niet alleen in Brugge een bierpijpleiding. In Irchonwelz, nabij Ath, inspireerde Brasserie des Légendes zich in 2016 op het Brugse project voor een gelijkaardige ondergrondse ‘bièroduc’ tussen de brouwerij en de logistieke site met afvulcentrum. Het 120 meter lange traject met elf leidingen voor bier en brouwwater gaat zelfs onder de bedding door van de kleine Westelijke Dender.
In 2021 liet Brasserie du Bocq een gelijkaardige ondergrondse ‘zythoduc’ aanleggen tussen de brouwerij en de zowat 500 meter verderop, buiten de dorpskom, gelegen logistieke site met afvulinstallaties voor vaten en flessen. Bij Brouwerij Boon overbrugt een Lambic-o-duct van zo’n 200 meter sinds 2021 de linker- en de rechteroever van de Zenne om lambiek over te pompen naar foederzaal nr 5.

De oudste bier- of beter gezegd wortpijpleiding bevindt zich evenwel in de Alpirsbacher Klosterbräu. Een 980 meter lange, ondergrondse leiding transporteert sinds 1970 het afgekoelde wort van de brouwerij naar de vergisting- en opslagkelders transporteert voor verdere verwerking en botteling. De pijpleiding is ondergebracht in een beschermende buis van 1,10 meter diameter, die diep genoeg ligt om vorstvrij te zijn. In het Duitse Gelsenkirchen moeten wij ook de langste bierpijpleiding situeren vanuit de Veltins-brouwerij naar de 5 kilometer verderop gelegen Veltins Arena, de thuisbasis van FC Schalke 04. Via de bierpijpleiding worden meer dan honderd horecapunten in het stadion bevoorraad.

Rijker bier rechtstreeks uit de tank getapt

In 1958 was Maes-Pils één van de eerste brouwerijen die tankbier serveerde. Wat maakt tankbier uitzonderlijk nu je het in steeds meer cafés kan proeven?

In Groot-Brittannië, Duitsland en Nederland is tankbier al decennia ingeburgerd, in België is het een relatief jong concept dat lange tijd beperkt bleef tot mega-evenementen en grote voetbalstadions. Nochtans was uitgerekend België één van de landen waar werd gepionierd met tankbier. Tijdens de Expo ’58 in Brussel voerde de toenmalige Brouwerij Maes zijn Maes-Pils met gekoelde tankwagens aan naar de Maes Inn in het themadorp ‘Vrolijk België’. Het bier werd er getapt uit drie gekoelde tanks van 1.000 liter.
Tot een doorbraak is het destijds nooit gekomen vanwege de hoge investeringen in tanks met bijhorende koelcel en tapinstallatie. Daar bovenop moet de brouwerij investeren in een ‘tankwagen’ om horeca-zaken te bevoorraden tijdens een aparte distributieronde voor tankbier tenzij men zou rijden met een vrachtwagen die naast tanks ook klassieke vaten en kratten vervoert. Tankbier vind je meestal in horecazaken die een behoorlijke voldoende klassieke vaten verkopen waardoor het loont om over te schakelen op tanks van 250, 500 of 1.000 liter. Daarin kan men het bier onaangeroerd een tiental weken optimaal stockeren en er vervolgens nog kwalitatief uitmuntende glazen van tappen. Indien beschikbaar kan de brouwerij zelfs minder lang houdbaar niet gepasteuriseerd bier leveren zonder problemen. Dergelijk bier is veel voller en rijker van smaak en het serveren ervan kan een meerwaarde creëren voor een horecazaak.
In de biertank bevindt zich een met bier gevulde kunststofzak die door middel van een luchtcompressor wordt platgedrukt. Het bier wordt als dusdanig getapt met het erin aanwezige, natuurlijke koolzuurgas. Omdat geen bijkomend koolzuurgas wordt toegevoegd, is oversaturatie uitgesloten.
Meestal heeft een horecazaak minstens twee tanks, waarbij de tweede tank de buffertank is voor het geval de eerste tank is leeggetapt. Het is bijgevolg een reserve-voorraad waarmee men de tijdspanne kan overbruggen waarbinnen de brouwerij de tank opnieuw komt vullen.
Tankbier is, in verhouding tot vaten- en flessenbier, ‘malser’ omdat je alleen het natuurlijk aanwezige koolzuurgas gebruikt. Het bier smaakt daardoor ook wat zachter en is beter doordrinkbaar omdat het minder sprankelend is. Het bier wordt uit de lagertanks van de brouwerij afgevuld, op de juiste temperatuur gekoeld en aan dezelfde temperatuur opgeslagen.
Waren het aanvankelijk uitsluitend pilsbieren die uit de tank werden getapt, dan worden sinds een tiental jaar ook speciaalbieren als tankbier aangeprezen omdat zij voor een bijkomend stukje bierbeleving zorgen. Vaak worden de bieren ongefilterd en niet gepasteuriseerd uit de tank getapt waardoor zij veel rijker geuren en smaken.

Brouwen van Sint-Michiel tot Sint-Joris

De overgrote meerderheid van de brouwerijen brouwt het jaar rond, maar ooit was het anders en telden brouwers af tot Sint-Michiel.
Omdat de temperatuur ’s zomer stijgt, geraakt het bier sneller geïnfecteerd en wordt het onaangenaam zuur. Stadsbesturen, hertogen, graven en gilden waakten vaak angstvallig over de kwaliteit van het bier. Slecht bier kon immers aanleiding zijn tot rellen terwijl men zijn inwoners te vriend kon houden met goed en lekker bier.
Om de periode van het brouwverbod goed en definitief te kunnen afbakenen voor vele jaren werd de heiligenkalender als uitgangspunt genomen. In de christelijke samenleving was men immers meer vertrouwd met kerkelijke feestdagen en heiligen dan wel met kalendermaanden en datums. Daardoor mocht er vanaf Sint-Michiel (29 september) opnieuw worden gebrouwen tot Sint-Joris (23 april).
Waarom er pas opnieuw gebrouwen mocht worden vanaf Sint-Michiel? Omdat traditioneel rond die datum de zomergerst was geoogst waarmee werd gebrouwen. Ook waren andere werkzaamheden op het land al grotendeels achter de rug en kwam er bijgevolg meer tijd vrij om te brouwen. Heel wat boerderijen waren immers hoevebrouwerijen waar ’s winters werd gebrouwen.
Bovendien was Sint-Michiel ook de patroonheilige van de stad Brussel, voor de lokale lambiekbrouwers het sein om opnieuw te gaan brouwen. Overigens lag de temperatuur eind september al een stukje lager waardoor het wort minder onstuimig zou gisten.
Rond eind april klimt de temperatuur terug hoger en werd er opnieuw een brouwpauze ingelast. De begindatum werd vastgelegd op 23 april, de feestdag van Sint-Joris, de drakendoder én de patroonheilige van Engeland, een land waar er volop werd gebrouwen. Ook was 23 april een belangrijke dag in dat andere bierland, Duitsland; op 23 april 1516 vaardigde hertog Willem IV van Beieren immers het “Reinheitsgebot” uit.
Een brouwverbod betekende evenwel niet dat er geen bier meer voorradig was. Brouwers legden immers een voorraad aan, net zoals de lambiekbrouwers nog steeds uitsluitend tussen september en april brouwen omdat zij zijn aangewezen op spontane gisting.
Sommige brouwers maakten hun bieren in maart en april wat sterker omdat een hoger alcoholgehalte het bier beter liet bewaren in de warme maanden. Anderen versneden of mengden hun bier met een kleine hoeveelheid lambiek of zuur bier want op die manier kon men het bier eveneens langer en beter bewaren.

De ster van de brouwer

De rode ster staat niet alleen symbool voor het communisme, zij komt ook voor in het logo van Stella Artois, Heineken, Sapporo en andere biermerken.

Het rode pentagram met opwaarts gerichte punt wordt veelvuldig gebruikt in logo’s en beeldmerken allerhande. Meestal wordt de in 1917 door het Rode Leger gebruikte ster gelinkt aan het communisme, waarbij de vijf punten verwijzen naar de vijf vingers aan de hand van een arbeider.
Waarom vind je die ‘communistische’ rode ster dan terug in het logo van onder andere Heineken, Sapporo en Estrella Damm? In andere kleuren tref je de vijfpuntige ster aan op flesjes Star Light (Haacht) of Newcastle Brown Ale (Scottish&Newcastle, Heineken) terwijl Bavaria en Stella Artois een dubbele vierpuntige ster tonen. Estrella Galicia houdt het dan weer op een zespuntige ster.
En dat hexagram knoopt perfect aan bij de geschiedenis van bier. In de middeleeuwen was dit de brouwersster die werd uitgehangen wanneer er opnieuw vers bier te verkrijgen was; aan de gevels van sommige Duitse brouwerijen vind je die brouwersster of ‘zoigl’ nog terug.
Het snijvlak van de twee driehoeken symboliseert het mystieke van de alchemie waarin het brouwproces zich voltrok. Terwijl de drie punten van één driehoek verwijzen naar vuur, water en lucht, duiden de drie punten van de andere driehoek op water, gerst en hop; gist was nog niet bekend als ‘grondstof’.
Later werd de middeleeuwse ster herleid tot een pentagram. Van de vijf punten verwijzen er vier naar de grondstoffen – water, gerst, hop en gist – terwijl de vijfde punt de magie van het brouwen en het vakmanschap van de brouwer symboliseert.
Heineken vertoonde de ster al op etiketten uit 1883 maar het was Freddy Heineken die in 1931 besliste om de ster rood te kleuren om het merkbeeld beter zichtbaar te maken. Mogelijk inspireerde hij zich daarvoor op de vijfpuntige rode ster van het eerste Stella-etiket (1926), die later werd gewijzigd in de achtpuntige kerstster.
Omdat de vijfpuntige rode ster van Heineken in de Verenigde Staten tijdens de Koude Oorlog mogelijk kon worden geassocieerd met communistische sympathieën werd het logo vanaf 1951 tijdelijk vervangen door een windmolentje, later gevolgd door een witte ster met een rood lijntje eromheen. Na de val van het communisme pakt Heineken vanaf 1991 weer volop uit met de rode ster. In 2017 werd er nog even gevreesd voor de rode ster toen de Hongaarse premier Victor Orban komaf maakte met alle totalitaire en communistische symbolen van weleer en ook de Heineken-ster in het vizier nam.

Hop, hop, hop en nog eens hop

Eenmaal hop, tweemaal hop, driemaal hop en nog een keer hop. Zo bewaart het goed, schuimt het mooi en zo geurt het bier nog beter.

Ooit werd er één hopvariëteit in het kokende wort gekieperd en volgde er misschien naderhand nog een zogenaamde ‘dry hopping’ om het bier wat bitterder te maken en het langer te laten bewaren. Met de komst van aromahoppen kort na de Tweede Wereldoorlog, zogenaamde dubbel-doelhoppen die bitterheid, bewaring en aroma verenigingen evenals tal van nieuw opgekweekte variëteiten vanaf de jaren ‘80 gebruiken brouwers de laatste decennia meer dan één variëteit. Bovendien worden die hoppen in verschillende fasen van het brouwproces in verschillende doses toegevoegd, opdat de karakteristieken van elke variëteit optimaal tot uiting kunnen komen.
Hop wordt meestal geassocieerd met bitterheid maar als ingrediënt is hop ook belangrijk voor bewaring en schuimvorming. Bitterhoppen zorgen voor een betere bewaring van het bier. Zij worden in de aanvangsfase van het kookproces toegevoegd, koken 45-90 minuten mee en verliezen daardoor grotendeels hun aroma’s. Dat geurverlies wordt gecompenseerd door de aromahoppen die op het einde slechts 15 minuten mee koken. Als gevolg van dit kortstondige kookproces behouden zij grotendeels hun betazuren en essentiële oliën en tekenen zij voor een wat rijker aroma van het bier. Door nobele, Europese hoppen te combineren met exotische, Amerikaanse of Nieuw-Zeelandse hoppen, wordt gezocht naar een mooie balans tussen respectievelijk het kruidige en het fruitige karakter.
Onder impuls van de Amerikaanse ‘craft beer’-trend is dry-hopping terug opgedoken. Waar het vroeger vooral een bewaarmethode was, wordt het nu uitgevoerd om meer uitgesproken aroma’s te genereren en bieren, dankzij de nieuwe hopvariëteiten geuriger, fleuriger en fruitiger te maken. Maar, net zoals in het verleden, kunnen de intense hoparoma’s die worden opgewekt bij dry-hopping ook zogenaamde ‘off-flavours’ of fouten in het bier camoufleren.
Hedendaagse dry-hopping kan tijdens verschillende fasen van het brouwproces: tijdens de gisting, tijdens de lagering of net voor het afvullen wanneer het bier door een ‘hopgun’ wordt gestuwd.
Combinaties van hopvariëteiten maken hoppen veel complexer dan voorheen. Dikwijls wordt men er ook toe gedwongen omdat de kwaliteit van sommige hopsoorten in bepaalde jaren ernstig lijdt onder de klimaatimpact. Door diverse hopsoorten te mengen en in diverse fasen van het brouwproces toe te voegen, streven brouwers naar een stabiel hoppig karakter van hun bieren.

Jeneververbod stimuleerde bierverkoop

De wet Vandervelde die in 1919 werd ingevoerd, viseerde het jeneververbruik maar was onrechtstreeks de stimulans voor de Belgische biercultuur.

Einde negentiende eeuw tierde het alcoholmisbruik alom in Europa en de Verenigde Staten, waar het leidde tot de Prohibition Act. In België focuste de franstalige burgerij, met onder andere de Brusselse jurist Emile Vandervelde, op de jeneverconsumptie die oorzaak zou zijn van de armoede en de lage levensstandaard onder de arbeidersklasse. Dat lage lonen, lange werktijden en slechte behuizing een veel grotere oorzaak waren, wou men niet zien. In een rapport voor de socialistische Belgische Werkliedenpartij hekelt volksvertegenwoordiger Emile Vandervelde de ‘jeneverpest’ en roept hij op om de strijd aan te vatten tegen de ‘vijand die van binnen’ zorgt voor ellende. De burgerij focust op het gemiddelde alcoholverbruik van 8,9 liter/jaar/persoon in 1890 – een cijfer dat ook in onze buurlanden werd opgetekend – en schrijft dat toe aan de arbeidersklasse. Men ‘vergeet’ evenwel dat de stijging in vergelijking met 5,4 liter/jaar rond 1850 grotendeels komt door de invoer van dure, buitenlandse sterke dranken die alleen door de burgerij konden worden betaald.
Er worden diverse wetten en wetsvoorstellen gedaan om de alcoholproblematiek van de arbeidersklasse. Wanneer door het alcoholverbod en de inbeslagname van koperen ketels door de Duitse bezetter tijdens de Eerste Wereldoorlog het alcoholverbruik is gedaald van 5,52 naar 0,56 liter/jaar grijpt een commissie onder leiding van Emile Vandervelde die cijfers in 1919 aan om de nieuwe anti-alcoholwet van 29 augustus 1919 met een verkoopsverbod op publieke plaatsen en in cafés door te voeren; particuliere verkoop voor thuisconsumptie werd nog getolereerd weliswaar in flessen van 2 liter omdat men ervan uitging dat arbeiders daarvoor onvoldoende geld hadden.
Heeft de wet impact gehad? In de jaren ’20 van vorige eeuw schommelt het alcoholverbruik rond 2-2,5 liter/jaar/persoon, maar het is niet duidelijk of cijfers van clandestiene jeneverstokerijen (784 in 1919) daarin zijn meegerekend. Van wijn, die overwegend door de burgerij werd gedronken, stijgt de consumptie van 4,6 naar 10,10 liter. Het bierverbruik blijft redelijk stabiel op zo’n 200 liter maar daalt naar 118 liter in 1950.
Onrechtstreeks zou de Wet Vandervelde wel eens aan de basis kunnen liggen van de Belgische biercultuur. Begin twintigste eeuw was Belgisch bier veeleer ‘fluitjesbier’, reden waarom ingevoerde, Angelsaksische bieren zoals stout en scotch hier voet aan grond kregen. Belgische brouwers inspireren zich erop om sterkere eigen bieren te gaan brouwen en importeren daarvoor zelfs gist uit Engeland en Schotland. De allereerste, zwaardere abdijbieren, dubbel en tripel, ontstaan. En die sterkere bieren vormden wellicht het alternatief voor de populaire jenever die niet meer op café geschonken mocht worden.
Doorheen de jaren zwelt de kritiek aan op de Wet Vandervelde onder andere omdat horeca-uitbaters klanten niet konden verplichten om te betalen; voor alcoholische drank gold immers een vrijwillige betaling. Uiteindelijk wordt de wet in 1984 vervangen door nieuwe regelgeving die onder meer de verkoop aan minderjarigen verbiedt.

De geuzenoorlog

De geuzenoorlog mag dan al verwijzen naar een episode uit de Tachtigjarige Oorlog, in België is dat het verhaal van twee brouwers en voetballiefhebbers.

Hoofdrolspelers zijn Constant Vanden Stock, brouwer van Gueuze Belle-Vue (waarvan de productie recent is stopgezet door AB Inbev) en sinds 1971 voorzitter van RSC Anderlecht, en Luc Vanhonsebrouck, brouwer uit Ingelmunster en sinds 1980 shirtsponsor van Club Brugge.
Wat voorafging. In 1949 wordt Belle-Vue, dat al de merknaam van de geuze was, ook de bedrijfsnaam. Die Gueuze Belle-Vue was een zoet lambiekbier dat met zijn 25 cl.-flesjes de markt overspoelde als speciaalbier ‘avant la lettre’. Dat succes ontging brouwer Luc Vanhonsebrouck uit Ingelmunster niet. Hij startte in 1957 een samenwerking met lambiekbrouwer Van Haelen uit Ukkel die hem ingegist lambiekwort leverde dat hij mengde met wort van het bruine bier Bacchus. Met dat mengbier, Gueuze St. Louis, groeide Vanhonsebrouck in 1969 uit tot tweede grootste geuzeproducent.
Als trouwe voetbalfans zitten beide brouwers regelmatig naast mekaar in de tribune wanneer Anderlecht en Club Brugge duelleren. Zij deinzen er niet voor terug om mekaar wat te jennen. Constant Vanden Stock voert aan dat Anderlecht de beste ploeg op het veld is en dat hij de beste geuze maakt, één die Vanhonsebrouck niet kan maken in Zuid-West-Vlaanderen. Maar die laatste stelt dat behoorlijk in vraag. In de daaropvolgende, winterse weken rijdt hij met alle vrachtwagens van de brouwerij naar het landelijke Pajottenland. Daar werden alle deuren geopend opdat de lucht en de microflora van het Pajottenland erin kunnen. De deuren werden gesloten en opnieuw geopend in de brouwerij. En zo ontstond de ‘Brettanomyces Ingelmunsterensis’ om Gueuze St. Louis te maken.
Wanneer Anderlecht en Club Brugge in 1971-1972 ex aequo Belgisch kampioen spelen, en Anderlecht de titel krijgt omdat het één wedstrijd meer gewonnen heeft, neemt de tweestrijd in de daaropvolgende jaren alleen maar toe. In de bekerfinale van 1977 staan beide ploegen opnieuw tegenover mekaar en wint Club Brugge met 4-3. Ook op het bierfront scoort Vanhonsebrouck door als antwoord op de succesvolle 25 cl.-flesjes Belle-Vue in 1978 zijn Gueuze St. Louis op vat uit te brengen, iets wat volgens Vanden Stock totaal onmogelijk was. Maar, het St. Louis-vatenbier werd een succes, zeker nadat Vanhonsebrouck het in 1980 als shirtsponsor van Club Brugge gaat promoten. Als gevolg daarvan vervangen veel Brugse cafés de Anderlechtse Belle-Vue door de Gueuze St. Louis van ‘hun’ Club Brugge.
En daarmee lijkt de Belgische geuzenoorlog beslecht. Is het verhaal waar of niet, legendarisch is het wel.

Zachter en romiger met stikstof

De overgrote meerderheid van alle bieren wordt getapt met behulp van koolzuurgas. Maar je kan sommige bieren ook romiger serveren met een vleugje stikstof.

Omdat koolzuur het gas is dat wordt opgewekt tijdens de gisting – waarbij 1 gram suiker wordt omgezet in ongeveer 0,5 gram alcohol en 0,5 gram koolzuurgas – gebruiken brouwers het ook om hun bier te tappen.
Wanneer je geen koolzuurgas zou toevoegen, tap je plat bier. In Groot-Brittannië wordt dat geserveerd als ‘cask ale’ en wordt het met een handpomp uit het vat getrokken. Occasioneel gebeurt dat in België al eens om lambiek uit het vat te tappen.
Toen het Ierse Guinness in 1959 de houten vaten inruilde voor aluminiumvaten werd een eigen tapsysteem geïntroduceerd met stikstof als extern gas. Hierdoor veranderden textuur en smaak van Guinness. Een belangrijk verschil met koolzuurgas is dat je stikstof niet in het bier kan krijgen en er bijgevolg ook geen belletjes opborrelen. Omdat stikstofbelletjes veel kleiner zijn dan koolzuurbelletjes ontstond een meer romige, zachte en gladde structuur en verdween ook het enigszins scherpe en zure van koolzuur.
De stikstof wordt tijdens het tappen onder hoge druk in het bier geïnjecteerd. Dat is het enige moment waarop je koolzuur en stikstof met mekaar kan combineren. Het bier wordt vervolgens onder hoge druk door de tapleiding en het erin aanwezige plaatje met fijne gaatjes gestuwd, wat meteen de aparte vorming van de schuimkraag verklaart.
Hetzelfde effect ontstaat ook bij het openen van een blikje Guinness met het in 1972 gepatenteerde – maar pas vanaf 1989 geïntroduceerde – concept met het plastiek balletje. Deze zogenaamde ‘widget’ bevat een kleine hoeveelheid stikstof. Die stikstofcapsule wordt afgesloten met een flinterdun vliesje dat wordt verbrijzelt bij het openen van het blikje waarna de stikstofbelletjes in het bier worden geïnjecteerd. De stikstofbelletjes – die kleiner zijn dan koolzuurbelletjes – stijgen vervolgens op en vormen de zachte, romige, schuimkraag.
Ondertussen experimenteren diverse Belgische speciaalbierbrouwerijen met stikstof of ‘nitro’. Zij voegen het gas wel op een andere manier toe omdat het de Guinness-technologie is gepatenteerd. Brouwerij De Brabandere heeft bijvoorbeeld een Petrus Nitro Cherry&Chocolate. Kasteel Nitro werd in 2021 door Brouwerij Vanhonsebrouck voorgesteld als een reeks speciaalbieren waaraan stikstof werd toegevoegd. De reeks omvatte Kasteel Nitro Barista (een quadrupel met chocolade- en koffiesmaken), Kasteel Nitro Noir (een porter met geroosterde mouten en karamel) en Kasteel Nitro Rouge (een fruitbier met kersen en een romige textuur).

Keizer Karel V en bier, meer dan een legende

Keizer Karel V, wellicht geen vorst die zo vaak figureert in legenden waarin ook bier een hoofdrol speelt. Is het fantasie en toeval of is er meer aan de hand?

Keizer Karel V (1500-1558) was de laatste hertog van Bourgondië, en de meest bekende Habsburger. Hoewel hij wordt omschreven als een vrij somber persoon, beschrijven legenden hem veeleer als een levensgenieter die houdt van een stevige pot bier.
In Olen is er het verhaal van de bierpot met drie oren, in Walcourt zou hij – na de perikelen in Olen – een bierpot hebben laten met vier oren om er zeker van te zijn dat hij altijd een oor binnen handbereik zou hebben. Verder zijn er legenden over een beek van bier in Bierbeek, de Oudenaardse bril en tal van andere verhalen. Uiteraard is hij ook bekend van de ommegang voor zijn intrede in Brussel en zijn er de Gentse stroppen.
Hoewel geboren in Gent werd hij groot gebracht in Mechelen, aan het Hof van zijn tante Margaretha van Oostenrijk, landvoogdes van de Nederlanden. In Mechelen geraakte hij verlekkerd op het lokale, zwaar donker bier dat later wordt omschreven als ‘gerstewijn’. Hij was zo gepassioneerd voor Vlaams bier dat hij het liet uitvoeren naar het Spaans Hof toen hij aldaar resideerde als Koning Karel I van Spanje. In zijn laatste verblijfplaats, in het Spaanse Yuste, liet hij een brouwerij bouwen en stelde hij er de Vlaming Henry Van der Hesen aan als meesterbrouwer.
Vanaf jonge leeftijd kampte hij al met jichtaanvallen die wellicht het gevolg waren van zijn typische ‘Habsburgse’ onderkaak, wat mogelijk wijst op inteelt in voorgaande generaties. Door die vooruitstekende onderkaak kon hij zij voedsel niet behoorlijk kauwen. Hij slikte het in brokken naar binnen en spoelde het rijkelijk door met wijn of bier. Na zijn troonsafstand en machtsoverdracht aan zijn broer Ferdinand I en zijn zoon Filips II trok hij zich in februari 1557 terug in het klooster van Yuste (Spanje) dat hij voordien had uitgekozen als zijn laatste toevluchtsoord.
Onderzoek dat in 2006 werd uitgevoerd door Spaanse wetenschappers bevestigde dat de keizer leed aan een zware vorm van jicht. In een vingerkootje dat ruim vier eeuwen werd bewaard als relikwie troffen zij een hoge urinezuurgehalte aan, wellicht ten gevolge van een te hoge wijnconsumptie en zijn meer dan gezonde eetlust met een voorkeur voor wild en zoetigheden. Omdat hij van het toenmalige bier minder jicht ervoer, zou hij het verkozen hebben boven wijn, waarmee hij uiteraard kon rekenen op de sympathie van de bevolking. Een keizer die bier dronk was immers ongezien.

Logeren bij de brouwer

Een zestigtal Duitse brouwerijen beschikt over een eigen ‘gasthof’ of ‘hotel’ waar je kan logeren. Op enkele plaatsen in België kan je eveneens overnachten bij de brouwer.

In Duitsland bestaat er een samenwerkingsverband van brouwerijen die logies aanbieden in een eigen, aan de brouwerij verbonden, hotel of gastenkamer. De Private Brauerei Gasthöfe groepeert een zestigtal familiebrouwerijen die samengeteld meer dan 500 verschillende bieren brouwen. Deze kleine tot middelgrote hotels of herbergen in de ware zin van het woord, bieden meer dan alleen eten, drinken en accommodatie. De locaties fungeren als uitvalsbasis om een regio te ontdekken maar zijn bovenal ook een ontmoetingsplaats waar jong en oud, inwoners en gasten mekaar treffen. De meeste Braugasthöfe situeren zich in Beieren maar ook in Baden-Württemberg, Noordrijn-Westfalen en Saksen kan je overnachten bij de brouwer.
Ook in België zijn er enkele operationeel actieve brouwerijen die overnachtingsmogelijkheden aanbieden. Zo tref je in Watou naast brouwerij St. Bernardus het gastenverblijf Brouwershuis aan dat beschikt over elf kamers in bed-and-breakfastconcept. Middag- en avondmaal kan je nemen in de aanpalende Bar Bernard met uitzicht over de hopvelden.
Een eindje verderop, in Proven, kan je ook logeren in de vakantiewoning van het hopbedrijf Hoppecruyt waar je de werking van een actieve hopboerderij kan gade slaan.
Een bekend brouwerijhotel is alleszins Het Anker, naast de gelijknamige Mechelse brouwerij. Het hotel telt 22 kamers die de sfeer van Gouden Carolus uitstralen. Er zijn diverse arrangementen beschikbaar waarin een brouwerijrondleiding en een menu met bijhorende bieren is begrepen.
Een nieuwkomer is alvast Hopspot in Ertvelde, een kleinschalig gastenverblijf voor maximaal 8 personen op de site van micro-brouwerij Hopspot, een initiatief van brouwerij Van Steenberge.
In de vierkantshoeve van het streekbelevingscentrum met brouwerij Craywinckelhof in Lubbeek zijn vijf kamers en één vakantiewoning (4-12 personen) beschikbaar voor gasten.
Vlakbij de familiale brouwerij Rochehaut van Arnaud Boreux situeert zich de Auberge de Rochehaut waar de familie Boreux een driesterrenhotel uitbaat.
Het is dan wel geen brouwerijhotel maar hotel ’t Botteltje in Oostende pakt uit met vijftien themakamers waarin telkens een andere brouwerij of specifiek biermerk in de kijker wordt geplaatst. Een gelijkaardig concept wordt ook geboden door bed-and-breakfast The Place2 Beer die beschikt over vijf themakamers waarin telkens een biermerk wordt gepromoot.

Tegen Rusland, Oostenrijk, Frankrijk en Holland

Afkomstig uit Andernach am Rhein, gevochten tegen Oostenrijk, Rusland, Frankrijk en Nederland hebben de Rodenbachs de Belgische geschiedenis gekleurd.

In onze streken vestigden zij zich in Roeselare, waar zij onder meer aan de basis liggen van de gelijknamige brouwerij. Maar zij waren veel meer dan brouwers. Hun familie telde aardig wat ondernemers, schrijvers, dichters, artsen, militairen, politici en revolutionairen.
Ferdinand Rodenbach (1714-1783) wordt beschouwd als de stamvader, afkomstig uit Andernach am Rhein en lid van een oude, adellijke, familie. Hij is regimentsdokter en weert in 1744 mee de aanval van de Franse koning Lodewijk XV af tegen de Oostenrijkse Nederlanden, zeg maar de Zuidelijke Nederlanden onder het bestuur van de Oostenrijkse tak van de Habsburgers. Zijn vier zonen, Pieter Ferdinand, Alexander, Constantin en Pedro, schreven het vervolg van het verhaal.
Pieter Ferdinand (1759-1820) is Fransgezind en bewonderde de Franse Revolutie. In 1789 nam hij deel aan de Brabantse Omwenteling – die later wel eens de Eerste Belgische Revolutie in de Zuidelijke Nederlanden werd genoemd– en kantte zich tegen de Oostenrijkse keizer-koster Jozef II, die onder andere in 1783 de abdijen verbood om nog langer bier te brouwen.
Alexander (1786-1869), ook wel de ‘blinde ziener’ genoemd, studeert aan de blindenschool in Parijs. Als hij nadien wil gaan doceren aan het blindeninstituut in Amsterdam wordt hij geweigerd omdat hij katholiek is en geen Nederlands spreekt. De wrok tegenover de Nederlanders zit hoog en als brouwer kaart u het onrechtvaardige fiscale beleid van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden aan. Alexander kiest voor de Belgische onafhankelijkheid en wil het Nederlandse huis Oranje-Nassau van de troon verbannen. Hij wordt later lid van het Nationaal Congres en staat op 21 juli 1831 naast Leopold I wanneer die zijn eed als koning aflegt.
Constantin (1791-1846) vervoegt in 1813 als arts de erewacht van het Franse leger en verzorgt de gewonden in de veldslagen van Napoleon tegen de Russisch-Pruisische troepen in Lützen en Bautzen (1813). In 1828 verenigt hij in ‘België’ katholieken en liberalen tegen de Nederlandse koning Willem I en samen met zijn broers organiseert hij het verzet tegen Oranje-Nassau. Samen met 75 anderen lanceert hij een voorstel om Leopold van Saksen-Coburg aan te stellen als koning van België. Samen met Jenneval, wiens echte naam Louis Alexandre Dechet was, schreef Constantin de eerste versie van de Brabançonne, het Belgisch volkslied.
Pedro Rodenbach (1794-1848) was lid van de Keizerlijke Wacht van Napoleon. Net zoals zijn broer Constantin nam hij in 1812-1813 deel aan de veldtocht van Napoleon tegen de Russen. Later, in 1815, keerde hij zich tegen Napoleon en vocht hij aan de zijde van de Nederlanders in de Slag bij Waterloo om het uiteindelijk in 1830 tijdens de Belgische Revolutie op te nemen tegen de ‘Hollandse bezetters’.

Koud of warm schenken en proeven?

Moet je nu bier nu ijskoud uitschenken of mag het ook wat warmer zijn? Waarom zou je een bier net iets warmer proeven?

Hoe laag of hoog mag de ideale schenktemperatuur van een bier zijn? Koel bewaren is alleszins de boodschap omdat bier veroudert bij hogere temperaturen. Een keldertemperatuur tussen 12-15°C is uitstekend, maar dat wil nog niet zeggen dat je het bier op die temperatuur moet schenken en proeven.
Je moet een onderscheid maken tussen de schenktemperatuur en de drinktemperatuur waarop je het bier gaat proeven. Menig brouwer vermeldt op zijn bieretiketten de aanbevolen temperatuur waarop je het bier moet proeven. Die temperatuurindicatie komt overeen met de temperatuur waarop de hoofdgisting van het wort zich voltrekt en waarop de meeste, gewenste, aroma’s tot uiting komen.
De aanbevolen schenktemperatuur ligt evenwel enkele graden lager want een uitgeschonken bier warmt zeer snel op in een glas. Dat is de reden waarom je glazen voor doordrinkbieren voorafgaand aan het uitschenken, koelt met koud water. De dikte van het glas speelt eveneens een rol, hoe fijner het glas, hoe sneller het opwarmt. En die opwarming gaat behoorlijk snel. Bij een omgevingstemperatuur van 18-20°C komt er na een tiental minuten gemakkelijk een graadje bij.
Je mag bier bijgevolg gerust enkele graden koeler serveren dan de aanbevolen schenktemperatuur. Wil je ervan proeven en is het nog te koud, warm het glas dan even op met je handen.
Hoe kouder je het bier gaat serveren, hoe minder aroma’s zich ontwikkelen en hoe minder smaak het bier heeft. Proef je het bier te warm, dan gaat het snel bitter smaken en kunnen soms ongewenste geuren ontluiken.
Net zoals elkeen een smaakvoorkeur heeft, vergen verschillende bierstijlen een andere schenktemperatuur. De meeste pilsbieren schenk je tussen 1-3°C, maar sommige, meer hoppige varianten mogen een graadje hoger uitgeschonken worden. Andere doordrinkbieren zoals speciale belge, witbier, goed gehopte bier of een zomers fruitbier mag je rond 2-4°C uitschenken. Blonde en bruine bieren van zo’n 6 vol.% schenk je aan zo’n 6°C. Een dubbel (abdijbier) mag je tussen 8-10°C uitschenken, voor een tripel en een sterk blond bier mag dat een graadje lager zijn. Zware donkere bieren, zoals Belgische gerstewijnen, vragen 10-12°C en soms zelfs iets hoger om tot volle ontplooiing te komen. Dat geldt ook voor oude geuze en oude kriek.

Neem de proef op de som en ontdek hoe verschillende hetzelfde bier kan smaken op een meer koude of warme temperatuur.

Artificiële intelligentie in de bierwereld

Artificiële intelligentie (AI) is niet meer weg te denken uit de samenleving. Ook in de bierwereld duiken steeds meer AI-projecten op in de introductie van nieuwe bieren en in de brouwerijtechnologie.

In 2016 lanceerde het Britse IntelligentX ’s werelds eerste met behulp van AI gebrouwen bier. Consumenten die één van de vier bieren van het merk proefden, konden hun commentaar doorgeven van via een bot op Facebook Messenger. Aansluitend vertaalde een algoritme dat in wijzigingen aan de receptuur waardoor het bier werd aangepast aan de aroma- en smaakvoorkeuren van de gebruikers.
Een jaar later, in 2017, startte Carlsberg een project in samenwerking met Microsoft een AI-project om nieuwe technologie en nieuwe producten sneller te kunnen ontwikkelen dan met traditionele methodes. Hierdoor zou men de ontwikkelingstijd van een nieuw bier – wat tot 2 jaar of langer kan duren – met één derde kunnen inkorten.
In Japan zijn NEC Corporation en Kyodoshoji Corporation (COEDO Brewery) in 2020 een samenwerking gestart om een intergenerationeel bier te ontwikkelen. De verwachtingen van consumenten tussen 20 en 50 jaar ten aanzien van een nieuw bier werden opgetekend en door AI geanalyseerd om vier nieuwe bieren onder de naam ‘Agentic AI x Craft Beer’ te creëren die door iedereen gesmaakt werden.

Baanbrekend werk werd in 2024 voorgesteld door het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB)-KU Leuven Center voor Microbiologie en het Leuven Institute for Beer Research. Zij analyseerden 250 bieren chemisch en brachten honderden aromacomponenten in kaart. Elk bier werd vervolgens op 50 criteria beoordeeld door een getraind panel van 15 personen. Het kostte het team 5 jaar om 226 chemische eigenschappen en gedetailleerde rapporten van het testpanel voor honderden bieren te verzamelen. Ook werden 180.000 internetreviews van Ratebeer geanalyseerd. Al die informatie werd met behulp van AI samengebracht en dat leidde tot een model dat vertelde hoe consumenten dat bier zouden waarderen en welke de belangrijkste aroma’s voor dat bier waren. Het AI-model gaf ook aan welke aroma’s men moest toevoegen om de aroma’s werden toegevoegd om de kwaliteit en de smaakbeoordeling te verhogen.
Een gelijkaardige toepassing met gebruik van AI leidde aan het Global Innovation and Technology Center (GITEC) van AB Inbev tot de introductie van Corona Cero 0.0 %vol waaraan aromacomponenten zoals isoamylacetaat (banaan), ethylhexanoaat (appel), ethylacetaat (typische zoetige geur) of phenylethylalcohol (floraal) gedoseerd werden toegevoegd om de smaakbeleving te verfijnen.

Inmiddels zien wij ook hoe een kleinere brouwerij zoals De Leite deelneemt aan het Europese project Art-IE dat kmo’s helpt om AI te integreren in hun werking. Met behulp van AI wil men gerichter communiceren én beter inspelen op trends in de bierwereld. Een digitale assistent helpt bepalen welk bier de wereld morgen wil proeven. In de toekomst wil men via AI het energieverbruik optimaliseren, verspilling verminderen en het brouwproces efficiënter maken.
Voorbeelden uit het productieproces zien wij onder andere bij AB InBev en Duvel Moortgat. Bij AB Inbev in Leuven speurt robothond Spot in de bottelarij naar (toekomstige) technische problemen of lekken in de tien afvullijnen van de bottelarij. Voorzien van een thermische camera en een akoestische sensor ontdekt hij vaak storingen nog voor die effectief problemen veroorzaken. In zijn eerste zes maanden detecteerde Spot bijna 150 technische fouten.
Bij Duvel-Moortgat werd een op AI gebaseerd programma geïnstalleerd dat paletten inspecteert. Het verzamelde beeldmateriaal wordt vergeleken met de ideale palet en paletten die niet langer voldoen aan de kwaliteitsvereisten worden automatisch uit omloop genomen nog voor zij schade kunnen aanrichten of medewerkers kunnen verwonden.

Het Gentse Crunch Analytics ontwikkelde voor het Nederlandse Beerwulf een zelflerend algoritme dat de verwachte verkoop van elke soort bier voor de komende weken vrij accuraat kan voorspellen en dat bijna automatisch de noodzakelijke bestellingen plaatst bij de leveranciers.

Zijn er minetta’s in de staminee?

Dwaalden Spaanse soldaten in de zestiende eeuw door onze streken op zoek naar herbergen met ‘esta minettas’ en legden zij zo de basis voor het woord ‘estaminet’?

Het is een vaak gehoord verhaal dat ‘estaminet’ of ‘staminee’ een verbastering zou zijn van het Spaanse ‘esta minetta’, wat zoveel betekent als een herberg die wordt bezocht door lieftallige vrouwen. Spaanse soldaten zouden in de zestiende eeuw met die vraag zijn rondgetrokken, zoekend naar een herberg waar zij zich konden ontspannen. Andere bronnen verwijzen dan weer naar ‘esta un minuto’, een herberg waar je snel iets kon drinken en eten.
Maar, klopt dat verhaal wel? Het woord ‘estaminet’ komt uit het Picardisch Noord-Frans en zou afgeleid zijn van het oorspronkelijk Germaanse ‘stam’, wat vermoedelijk verwijst naar een paal voor de herberg waaraan de klant zijn paard kon vastbinden. Je vindt ‘stam’ ook terug in woorden zoals stamcafé, stamgast of het Duitse Stammtisch voor de trouwe klanten. Een ‘estaminet’ of ‘staminee’ zou oorspronkelijk wat meer zijn geweest dan een traditioneel café kroeg omdat je er ook een hapje kon eten, net zoals je dat nu kan in een ‘bistro’, een ‘brasserie’ of een ‘bruine kroeg’ wat meteen ook wat vertelt over het interieur.
Als een ‘estaminet’ niets te maken heeft met Spaanse soldaten, waar komt het verhaal dan vandaan. Niemand minder dan de Vlaamse auteur Louis Paul Boon, bekend van onder andere De Kapellekensbaan, zou de mythe in de jaren ’60 van vorige eeuw gecreëerd hebben in de toenmalige, socialistische krant ‘De Vooruit’. In de ‘Oilsjtersen Diksjoneir’ stelt men dat Louis Paul Boon in een van zijn cursiefjes in de krant schreef, dat in een staminee altijd twee of drie dochters over de vloer lopen, omdat, zo heeft hij zich laten wijsmaken, estaminet het Spaans betekende ‘huis waar de meisjes drank bezorgen”. Maar hij schreef er nog eens uitdrukkelijk bij: ‘Mij kunnen ze alles wijsmaken’.
En die mogelijk gefantaseerde, vlot en logisch klinkende verwijzing naar een Spaanse herkomst is sindsdien een eigen leven gaan leiden en wordt door velen aangenomen als een historische, zestiende eeuwse, waarheid.

Zijn het nu witte of bruine paters die brouwen?

Moet abdijbier worden gepromoot door een witte of een bruine pater? Voor Nederlanders moest het ooit een bruine pater zijn ook al was de realiteit anders.

Wanneer begin jaren ‘80 van vorige eeuw de export van Belgische speciaalbieren naar Nederland op gang komt, rijzen er daaromtrent heel wat vragen. De Koninck, Duvel en Palm waren reeds aanwezig maar wanneer daar plots een abdijbier bij komt, wordt dat argwanend onthaald vanwege de sterk uiteenlopende religieuze opvattingen. Hervormde kerken waren erg gevoelig voor alles wat met paters te maken had, waardoor men het abdijbier-verhaal nauwelijks durfde te vertellen. Sommigen opperden zelfs dat de verkoopopbrengst regelrecht werd doorgestort naar de paus in Rome.
Calvinisten hadden het dan weer moeilijk met de merknaam Judas. In Amsterdam vroeg men soms aan brouwerijvertegenwoordigers of Judas de ‘sales manager’ was die Jesus Christ Superstar verkocht.
Over één zaak was iedereen in Nederland het wel eens: de pij van de pater op stoepborden moest bruin zijn ongeacht tot welke kloosterorde hij behoorde. En zo doken in het Nederlandse straatbeeld overal bruine paters van Grimbergen op. Dat is evenwel een regelrechte aanfluiting van de realiteit, want de paters van Grimbergen zijn Norbertijnen, ook wel witheren genoemd, en die dragen een … witte pij. Op vraag van de abdijgemeenschap moest Alken-Maes alle promotiemateriaal met bruine paters uit omloop nemen. Sindsdien worden de Grimbergen-abdijbieren alleen nog aangeprezen door witte paters. Niettemin kan je nog wel eens een oude reclame met een bruine pater van Grimbergen tegen komen in Nederland.

Brouwen op zee

Water genoeg om te brouwen, zou je denken wanneer je op zee vaart. Maar kan het ook echt? Een tiental cruiseschepen beschikt reeds over een eigen micro-brouwerij.

In februari 2010 was de AidaBlu het eerste cruiseschip dat een brouwerij aan boord had. Wat oorspronkelijk een proefproject was, is zo succesvol dat de Duitse rederij Aida Cruises sindsdien ook op de AidaMar, AidaSol, AidaStella brouwzaaltjes van 5 hl. heeft geïnstalleerd. Op de AidaPerla, AidaPrima, AidaNova en AidaCosma zijn het brouwketels tot 8,5 hl.
Het idee van een microbrouwerij aan boord kwam van de vele Duitse passagiers. Omdat Duitsland een bierland is, opperden zij om aan boord een eigen Aida-bier te serveren, afkomstig van een huisbrouwerij. Maar, Aida Cruises ging een stap verder. In samenspraak met Joh. Albrecht, een fabrikant die bekend is om zijn koperen lagertanks en beslag- en kookketels met een doorzichtige glazen wand, kreeg het concept steeds meer vorm.
Het voornaamste verschil met brouwen aan land is dat het zeewater via een ontziltingsinstallatie wordt omgevormd tot brouwwater. Verder moet alle brouwinfrastructuur passen binnen de voorziene hoogte van het scheepsdek en moet alles zodanig worden gemonteerd dat het weerstaat aan scheepstrillingen en een onstuimige zee.
Het succes van de scheepsbrouwerijen inspireerde Carnival Cruises, een zusterrederij van Aida Cruises, om brouwerijen te plaatsen in de Carnival Vista, de Carnival Horizon, de Carnival Panorama, de Carnival Jubilee, de Carnival Celebration en de Carnival Mardi Gras. Carnival plaatste in samenwerking met Lakeland Brew Hub een afvullijn op diverse schepen opdat reizigers een blik of een vaatje van het op zee gebrouwen bier mee huiswaarts kunnen nemen.
In de joint-venture van Carnival met het Chinese Adora Cruises werd ondertussen ook een micro-brouwerij (8,5 hl) geplaatst op de Adora Magic City.
Het stukje bierbeleving ontging concurrent MSC Cruises niet want op de MSC World America en de MSC World Europe schittert nu ook al een huisbrouwerijtje van 3 hl.
Cruiseschepen mogen dan pronken met hun micro-brouwerijen aan de boord, de eerste varende brouwerij was evenwel de Britse mijnenlegger HMS Menestheus die daartoe werd omgebouwd tijdens de Tweede Wereldoorlog om Britten en geallieerden in Azië met bier te bevoorraden. Helaas waren de verbouwingswerken pas voltooid na beëindiging van de oorlog en legde de varende brouwerij nadien nog wel aan in Yokohama, Kure, Shanghai en Hong Kong.

Legendarische bierkoning wint historische veldslag

De Slag bij Woeringen op 5 juni 1288 wordt beschouwd als één van de bloedigste, middeleeuwse veldslagen maar hij is de volksgeschiedenis ingegaan dankzij Gambrinus.

Op het einde van dertiende eeuw kwam het meermaals tot veldslagen tussen hertogen, graven en koningen die hun rijk wilden uitbreiden en de machtsverhoudingen wilden wijzigen. Zo ook de slag van Woeringen (Wörringen, nabij Keulen) omtrent de erfopvolging (successie) na het overlijden van hertog Walram IV van Limburg (1279) en zijn dochter Imgard (1283). In de marge van een familieruzie tussen graaf Reinoud I van Gelre (weduwnaar van Imgard) en Adolf V van Berg (neef van Walram) verkocht Adolf V zijn rechten op het hertogdom Limburg door aan Jan I, hertog van Brabant, die el enige tijd tevergeefs poogde om het gebied tussen Maas en Rijn met zijn drukke handelsroutes onder zijn hoede te krijgen. Dat zinde de graaf van Gelre niet. Het conflict escaleerde en leidde tot een veldslag op 5 juni 1288 in Woeringen, nabij Keulen.
Bijna vijfduizend Brabanders, overwegend te voet en onder leiding van Jan I, stonden er tegenover Reinoud van Gelre, gesteund door de legers van de machtige aartsbisschop Westerburg uit Keulen en van de graaf van Luxemburg. De Luxemburgse graaf sneuvelde vrij snel terwijl Reinoud en Westerburg werden gevangen genomen. Hertog Jan I beëindigde zo met de Slag van Woeringen de ‘Limburgse Successieoorlog’ en kon bijgevolg Limburg annexeren. Vanuit die optiek wordt de Slag bij Woeringen, samen met de Guldensporenslag in 1302, beschouwd als één van de belangrijkste veldslagen die aan de basis liggen van het latere België.
Is de veldslag nauwelijks bekend, dan is Jan I, of Jan Primus in het Latijn, dat veel meer. Met zijn naam, verbasterd tot Gambrinus, wordt hij in een zestiende eeuwse legende opgevoerd als de inmiddels wereldwijd bekende ‘koning van het bier’. Na de Slag van Woeringen zou hij bovenop een stapel tonnen zijn geklommen en een heildronk met een pot bier uitgebracht hebben op zijn manschappen. Historisch bewijs daarvan is er niet maar als legendarische bierkoning is hij wereldwijd bekend en wordt hij geëerd op 11 april.
Een heilige was hij allerminst. Hij stond vooral bekend als een strijdlustig, gevaarlijk en weinig geliefd persoon. Na zijn dood tijdens een toernooi in het Franse Bar-le-Duc werd zijn stoffelijk overschot ‘more teutonico’ (gekookt tot op het bot, deels uit vrees dat hij zou weder opstaan) overgebracht naar het toenmalige minderbroedersklooster in Brussel. Daar zijn de restanten van zijn graftombe nog te zien in Bruxella 1238, naast het Beursgebouw en … Belgian Beer World.

De logica achter graden en volumeprocenten

Een bier vermeldt 10 op het etiket en de kroonkurk terwijl het alcoholgehalte ervan 11,2 %vol is. Je moet er maar aan uit geraken, waar zit de logica?

Tot einde jaren ’70 begin jaren ’80 van vorige eeuw pronkten bieren op hun etiketten met grote getallen die aangaven hoe stevig die kleppers wil waren: Gouden Carolus 19, Bush 24, EKU Kulminator 28. Jupiler 5 was een klein broertje, Rochefort had zijn trio van 6, 8 en 10 en Westvleterens Sint-Sixtus had zijn Abt 12. Getallen die je soms nog terug vindt op etiketten en kroonkurken maar die helemaal niet overeenstemmen met de vermelde alcoholpercentages.
De getallen vinden hun oorsprong in de dichtheid of de zwaarte van een bier gemeten op het nog ongegiste wort of stamwort. Het stamwortgehalte, traditioneel uitgedrukt in graden Plato, geeft, gemeten bij 20 °C, de verhouding aan vergistbare suikers weer in de wortoplossing. Aan de hand van die verhouding krijg je een indicatie van het latere alcoholpercentage, ontstaan na vergisting van het wort.
Geïnspireerd op die graden Plato werd in 1974 het Belgisch Wettelijk Gradenstelsel ingevoerd. Daarin werd het soortelijk gewicht van water gelijkgesteld aan 1 of 1000. Als het wort een soortelijk gewicht van 1090 had, dan werd dat omgezet in een stamwortgehalte van 9 Belgische graden. Aanvullend creëerde het Belgisch Wettelijk Gradenstelsel 4 categorieën en ook die verwijzing vind je nog terug op sommige (oudere) etiketten. Cat. S of Supérieur waren bieren van meer dan 6,2 Belgische graden, Cat. I Supérieur was voor bieren tussen 4,6 en 4,8 Belgische graden.
In 1993 werd het Belgisch Wettelijk Gradenstelsel afgeschaft en is men overgeschakeld naar aanduidingen in volumeprocenten alcohol omdat het de consument eenduidig vertelt hoe sterk een bier is. Het getal in %vol. geeft de verhouding weer van het aantal centiliters alcohol op 1 liter bier. Omdat de merknamen met Belgische graden zo ingeburgerd waren, zijn brouwerijen zoals Rochefort of Sint-Bernardus die getallen blijven gebruiken om de verschillende bieren in hun gamma van mekaar te onderscheiden, ook al hebben ze soms hun eigen kleur van etiket of kroonkurk gekregen.

Bier is niet altijd aangenaam en lekker

Groene appel, banaan, kruidnagel, caramel, het kan allemaal in een bier. Maar soms zijn bieren echt niet lekker ook al zegt men ‘het is de bedoeling dat het zo smaakt’.

In bieren komen aardig wat ‘fouten’ of zogenaamde ‘off-flavours’ voor. Dikwijls ontstaan die tijdens het koken, gisten, lageren of afvullen van bieren. Meestal geven die het bier een aangename toets en versterken die het karakter van een bier. Het gaat hier niet om toegevoegde, kwalitatieve, ingrediënten zoals krieken, gedroogde sinaasschillen of koriander. Maar ook met die koriander kan het fout gaan wanneer men minderwaardige korianderzaadjes verwerkt of korianderblaadjes heeft gebruikt die al vlug leiden tot een zeepsmaak.
Toetsen van appel, banaan, perzik, mango, kruidnagel, chocolade of biscuit worden meestal geapprecieerd. Een typisch aroma van veel Belgische speciaalbieren is 4VG, voluit 4-vinylguaiacol. Het is een van de fenolen die tijdens de gisting worden aangemaakt en die het bier toetsen geeft van gerookt, kruidnagel en nootmuskaat.
Gedroogd stro, stalgeur en lichtjes boterzuur kunnen soms nog net, afhankelijk van de bierstijl. Anders wordt het wanneer bier extreem azijnzurig is of geurt naar gekookte groenten, kolen, spruiten of rotte eieren. Maar, wanneer bier ruikt naar zweetvoeten, oude sokken, lijm, oplosmiddel, verf, rubber, geneesmiddelextract, het rioolputje, muf karton of ‘natte hond’ is er meer aan de hand en kan je echt wel spreken van fouten. De oorzaken daarvan zijn uiteenlopend, van een technisch defect en een foute handeling tot een weinig nauwgezette opvolging van het brouwproces en de noodzakelijke reinigingsbeurten. Soms schort er ook wat aan de gebruikte grondstoffen zoals slecht bewaarde hop.
Bier kan ook te houterig zijn omdat het in nieuwe houten tonnen werd gerijpt waarin het tanninegehalte nog veel te hoog is.

Waar komt dat streekbier en speciaalbier vandaan?

Tot halfweg jaren zeventig had elke streek zijn bier en moest je er ook heen rijden om het te proeven en te kopen. Twee kameraden brengen daar verandering in.

België is bekend om zijn vele lokale, vaak historisch sterk verankerde bieren. Tot halfweg jaren zeventig van vorige eeuw kon je die bieren alleen ter plaatse proeven en aankopen. Voor een lambiek moest je naar het Pajottenland, een Oud Hoegaards witbier van Pierre Celis ging je in Hoegaarden halen, voor een Liefmans Goudenband kon je naar Oudenaarde, Oud Zottegems was dan weer een rit naar Zottegem, voor Achouffe mocht je naar het kabouterdorp rijden en een Bush Beer vond je alleen in Pipaix en Doornik. In je warenhuis of drankenhandel vond je alleen de grote merken met alle varianten van Carlsberg of Whitbread en een of twee Dortmunders.
Dat was het assortiment tot twee jeugdvrienden uit Lembeek en Halle daar verandering in brengen vanaf 1975. In dat jaartal startte Frank Boon met de drankenhandel ‘Bierkelders Boon’ die zich toespitste op al die lokale specialiteiten. Ondertussen bekwaamde hij zich bij René De Vits in het ‘steken van geuze’ om drie jaar later de geuzestekerij over te nemen.
Zijn kameraad Jef Colruyt, van de gelijknamige voedingsdistributeur, steunde hem vanaf het begin. Beiden trokken samen naar drankenhandelaars en horeca om hun assortiment van lokale specialiteiten – in uiteenlopende vormen van flessen – te promoten en te verkopen. Franks vrachtwagen pronkte met het opschrift ‘Geuzestekerij – 107 Streekbieren’. Jef Colruyt praatte erover met zijn medewerker Jean-Pierre Roelandts die er ook wat in zag. De benaming ‘Speciaalbier’ en het begrip ‘streekbier’ werden gelanceerd. En daarmee werd Colruyt in 1983 de allereerste retailer die over het hele land een uitgebreid rek met toen nog vrij onbekende streek- en speciaalbieren aanbood.
Geleidelijk ontdekten ook steeds meer drankenhandelaars de gevarieerde wereld van streekbier en Belgische speciaalbieren.
De geuzestekerij van Frank Boon groeide uit tot een succes in zoverre dat het leidde tot de start van lambiekbrouwerij Boon in 1986. Omdat het steeds meer tijd vergde van Frank Boon stopte hij in 1989 met de drankenhandel in streek- en speciaalbieren om zich volledig te focussen op zijn lambiekbrouwerij. Maar, de woorden ‘streekbier’ en ‘speciaalbier’ zijn gebleven en meer dan ooit ingeburgerd in ons taalgebruik dankzij Frank Boon en Jef Colruyt.

Niet alle cisterciënzers brouwen trappist

Naast de authentieke trappistenbieren met hun rood-witte logo bestaan er trappistenbieren zonder logo en diverse cisterciënzerbieren. Diverse jonge trappistenbrouwerijen sloten de voorbije jaren de deuren.

Trappistenbieren worden al vele decennia wereldwijd geprezen. Het was ooit zelfs gebruikelijk dat een donker, dubbel bier van een lekenbrouwerij ‘Trappist’ werd genoemd. Op 28 februari 1962 maakte de Gentse rechtbank van koophandel daarmee komaf. In de daaropvolgende jaren kenden de abdijbieren van lekenbrouwerijen een enorme groei en werd de concurrentie steeds scherper.
In 1997 werd dan de Internationale Vereniging Trappist (IVT) opgericht die het bekende zeshoekige rood-witte logo ‘Authentic Trappist Product’ (ATP) lanceerde. Inmiddels maken negentien trappistenabdijen deel uit van IVT en mogen zij het ATP-logo voeren op hun producten; dat kunnen bieren en kazen zijn maar ook heel wat andere producten. Het ATP-logo wordt toegekend wanneer aan drie voorwaarden is voldaan: de producten moeten binnen de kloostermuren of in de onmiddellijke nabijheid van de abdij worden geproduceerd, de productie vindt plaats onder toezicht van de monniken of monialen, de opbrengsten zijn voorbestemd voor de behoeften van de kloostergemeenschap en diverse sociale doeleinden.
Specifiek voor bieren is het ATP-logo in België toegekend aan Westmalle, Westvleteren, Chimay, Orval en Rochefort. In het buitenland draagt de Nederlandse trappistenabdijen van Berkel-Enschot (La Trappe) het logo, evenals het Italiaanse Tre Fontane en het Engelse Mount St. Bernard (Tynt Meadow).
De abdijen van Mont des Cats (Frankrijk) en Cardeña (Spanje) voeren het ATP-logo niet omdat hun trappistenbier door derden wordt gebrouwen. Mont des Cats wordt bijvoorbeeld gebrouwen in Chimay. Inmiddels ziet het ernaar uit de trappistenbieren van Zundert (2013-2025?) weldra verdwijnen omdat de monniken de opheffing van de abdij hebben aangevraagd aan het generaal kapittel van de orde. Eerder stopten ook de trappisten van Achel (1997-2021), het Amerikaanse Spencer (2013-2022) en het Oostenrijkse Engelszell (2012-2025) hun brouwactiviteiten. In 2025 werd de Abdij Maria Toevlucht in Zundert opgeheven wat ook het einde betekende van de brouwerij en de Zundert-trappist die er sinds 2013 werd gebrouwen.
En dan zijn er nog de cisterciënzerbieren die trachten mee te surfen op het succes van de ATP-trappistenbieren. Daarvoor moeten wij even de geschiedenis induiken. Trappist is eerder een gebruiksnaam. Officieel zijn de trappisten Cisterciënzers van de Strikte Observantie. Zij leven volgens de Regel van Sint-Benedictus van Nursia (geb. ca. 480 na Christus) die onder andere wordt gekenmerkt door het sobere, dagelijkse kloosterleven. Doorheen de eeuwen ontstonden er diverse interpretaties van die regels. In de zeventiende eeuw ontstond in de abdij Notre-Dame de La Trappe (Normandië) een hervorming met het verlangen naar een nog striktere naleving van de Regel van Benedictus. Hieruit ontstonden ‘Cisterciënzers van de Strikte Observantie’, die ook wel ‘Trappisten’ werden genoemd.
Abdijen en monniken die de strikte regels van La Trappe niet volgden, werden daardoor Cisterciënzers ‘van de Gewone Observantie’. In België zijn er diverse abdijbieren genoemd naar deze cisterciënzerabdijen: Aulne, Bornem, Cambron, Herkenrode, Val-Dieu, Villers-la-Ville en Onze-Lieve-Vrouw Ten Duinen (Koksijde).

Bier elders brouwen met ander brouwwater

Bier was in het verleden vaak erg streekgebonden vanwege het water dat ervoor werd opgepompt. Ondertussen kan je de productie overhevelen maar evident is het niet altijd.

Tot enkele decennia geleden kon je een specifiek bier maar op één plaats brouwen. Dat had alles met de eigenschappen van het opgepompte bronwater. Zo was pils, afkomstig uit het Tsjechische Plzen, bekend vanwege zijn zacht water. Pale-ales werden gebrouwen met harder water uit de regio van Burton-on-Trent.
Brouwerijen die een eigen bron hebben, koesteren die als geen ander. Denk maar aan het conflict dat enkele jaren geleden rees tussen de trappistenbrouwerij van Rochefort en Lhoist toen mogelijke uitbreiding van hun kalksteengroeve La Boverie het voortbestaan bedreigde van de Tridaine-bron waaruit het water voor de trappistenbieren werd geput.
Wanneer het brouwwater afkomstig is van bijvoorbeeld een meer dan 100 meter diepe bron en het met zijn karakteristieken bepaalde bieren tekent, is het niet evident om water uit een andere bron te gaan oppompen. Je moet het natuurlijke, stabiele brouwwater op ‘chemische’ wijze opnieuw gaan samenstellen wat veel geld, tijd, energie en vooral opvolging vergt. Brouwerijen die niet putten uit een eigen bron en aangewezen zijn op leidingwater passen deze technologie toe om het brouwwater samen te stellen volgens hun voorkeuren.
Dergelijke waterbehandeling laat toe om een bier elders te brouwen met dezelfde ingrediënten. Maar, daarmee ben je er nog niet. De kans dat je gaat brouwen in identiek dezelfde installatie is klein. Beslag- en brouw- of kookketel hebben misschien een andere inhoud net zoals gisttanks die misschien ook een andere vorm hebben. Evenzo kan filtratie op een andere wijze gebeuren. Aanpassingen aan de receptuur zijn niet uitgesloten om finaal hetzelfde bier in de markt te zetten.
Dat hetzelfde bier elders brouwen gemakkelijker gezegd is dan gedaan, ervoer Inbev in 2005 met de vooropgestelde sluiting van Hoegaarden en overheveling van de productie naar Jupille-sur-Meuse. Een sterke lokale verankering, waarbij bewoners zich identificeren met ‘hun’ bier, leidt ertoe dat velen hetzelfde bier altijd anders gaan smaken. En zo keerde ook Hoegaarden terug naar Hoegaarden.

Bierfirma’s, brouwerijhuurders, stekers en brouwerijen

‘Ghost’-brewery, ‘contract’-brewery, piraatbrouwerij, spookbrouwerij, het zijn slechts enkele namen die gegeven worden aan bierfirma’s die zich positioneren als een echte brouwerij maar het vaak niet zijn.

Een brouwerij beschikt over de nodige installaties om bier te brouwen, al kan het zijn dat zij hun bier in fles, vat of blik laten afvullen bij een collega. Authentieke brouwerijen betalen ook accijnzen en commercialiseren hun eigen bieren.
Omdat het gebruik van de benaming ‘brouwerij’ niet is gereglementeerd, wordt die meermaals gebruikt door bierfirma’s die louter bier verkopen maar het geenszins zelf brouwen. Zij laten een bier brouwen door derden. Dat kan een eigen recept zijn, een recept dat in samenwerking met de brouwerij werd ontwikkeld of een bestaand bier van de respectieve brouwerij dat onder een andere naam wordt verkocht (etiketbier of B-merk). Bierfirma’s investeren niet in (dure) brouwinfrastructuur, betalen geen accijnzen (dat doet de brouwerij) en focussen alleen op marketing en verkoop.
Doorheen de geschiedenis heeft menig brouwerij de activiteiten gestaakt (bijvoorbeeld omdat de installaties niet langer behoorlijk functioneerden) en is men bierfirma of bierhandelaar (‘biersteker’ in de volksmond) geworden. Omgekeerd zijn er ook initiatieven die starten als bierfirma om door te groeien naar een volwaardige brouwerij van zodra men daarvoor over voldoende financiële middelen beschikt.
Het onderscheid tussen bierfirma’s en brouwerijen is daarom niet altijd eenvoudig. Er bestaan immers ook brouwerijhuurders die de installaties van een bestaande brouwerij tijdelijk huren om er onder toezicht een eigen bier te brouwen waarvoor zij ook de accijnzen betalen. En dan zijn er nog de (geuze-)stekerijen die wort of bier (lambiek) aankopen bij een brouwerij en het vervolgens laten rijpen of met ander bier vermengen om het onder eigen naam te commercialiseren.
Helaas wordt er niet altijd duidelijk gecommuniceerd over wie nu een authentieke brouwerij of bierfirma is. Sommigen doen dat gelukkig wel en vermelden op hun etiket ook de naam van de brouwerij waar hun bier werd gebrouwen. Enkele brouwerijen hanteren dat principe terecht strikt en gaan alleen in zee met bierfirma’s, verenigingen en allerhande organisatie die een eigen bier willen commercialiseren op voorwaarde dat de naam van hun brouwerij op het etiket wordt vermeld.

Reinheitsgebot meer dan zuiver bier

Op 23 april 1516 vaardigde de Beierse hertog Wilhelm IV het befaamde ‘Reinheitsgebot’ uit waarin werd bepaald hoe bier gebrouwen moest worden, maar deze verordening handelde niet alleen over grondstoffen.

Het Reinheitsgebot is de opvolger van een verordening uit 1487 die van toepassing was in het hertogdom Baiern-München, om vanaf 23 april 1516 van kracht te worden in heel Beieren. Met het Reinheitsgebot wou Wilhelm IV in de eerste plaats vermijden dat bakkers en brouwers verwikkeld geraakten in een concurrentiestrijd rond het gebruik van granen. Vanuit dat opzicht reserveerde Wilhelm IV het gebruik van tarwe en rogge voor bakkers opdat het brood betaalbaar zou blijven, terwijl gerst werd voorbehouden voor de brouwers. Gelijktijdig wou hij de Beierse brouwers ervan behoeden om allerlei kruiden toe te voegen die werden gebruikt in heidense rituelen en die ook werden toegevoegd aan Noord-Duitse bieren. Daarom mocht bier alleen maar worden gebrouwen met hop, gerst en water. Sommige Beierse brouwerijen kregen wel een hertogelijk privilege om tarwe te gebruiken voor het brouwen van Weizenbier.
Maar het Reinheitsgebot bepaalde ook de prijs van het bier. Het lagegistingbier mocht enkel in de wintermaanden, tussen Sint-Michiel (29 september) en Sint-Joris (23 april) worden gebrouwen en 1 Mass (1,069 liter) mocht niet duurder worden verkocht dan 1 Münchener Pfenning. Tussen Sint-Joris en Sint-Michiel bedroeg de maximumprijs 2 Münchener Pfenning voor 1 Mass.
Doorheen de eeuwen werd het Reinheitsgebot aangepast, werden tarwe en gist toegevoegd aan de ingrediëntenlijst en werd de verordening van kracht in heel Duitsland. In 1952 werd het Reinheitsgebot geïntegreerd in het West-Duitse Biersteuergesetz. Naarmate de Europese eenmaking vorderde, ervoeren brouwers uit andere landen het Reinheitsgebot als een protectionistische maatregel. Wie bier naar Duitsland wou exporteren, moest ‘reines Bier’ aanbieden. Hoewel het Europees Hof van Justitie in 1987 oordeelde dat het inderdaad een protectionistische maatregel was, bleef Duitsland de wet toepassen voor bieren die in Duitsland werden gebrouwen.
Binnen het in 1990 eengemaakte Duitsland leidde dat nog tot meerdere rechtszaken of een drank wel bier genoemd mocht worden wanneer er andere grondstoffen in werden verwerkt dan die uit het Reinheitsgebot. Inmiddels is het Reinheitsgebot niet langer een wet maar is het vooral een marketing-slogan “Gebraut nach dem deutschen Reinheitsgebot” die wordt gebruikt voor bieren die volgens het boekje worden gebrouwen.

Bier en champagne zijn familie van mekaar

Het klinkt misschien vreemd maar bier en champagne zijn familie van mekaar, en dan gaat het niet alleen om ‘brut’-bieren die volgens de ‘méthode traditionelle’ zijn gemaakt.

In 2001 stelden de Buggenhoutse brouwerijen Bosteels en De Landtsheer hun ‘champagnebier’ voor. Spoedig erna komt het tot een rechtszaak waarna jaren later in een Europese verordening wordt gesteld dat die benaming noch een verwijzing naar ‘méthode champenoise’ niet langer gebruikt mogen worden voor bier. Sindsdien wordt er gesproken over ‘brut-bier’ of bière brut’ volgens de ‘méthode traditionelle’, waarbij het bier in 75 cl.-flessen wordt gekeerd (‘remuage’). Daardoor komt het gistdepot samen in de flessenhals om er vervolgens bevrozen en uitgetrokken te worden (‘dégorgement’).
En die ‘champagnegist’ brengt ons meteen naar het bier. De champagneproducenten gebruiken daarvoor immers biergisten zoals Saccharomyces Cerevisiae Cerevisiae of Saccharomyces Cerevisiae Bayanus. Dit zijn van origine Angelsaksische gisten, ook wel ale-gisten of maritieme gisten genoemd, kunnen vlot hogere alcoholpercentages aan. Zij produceren nauwelijks azijnzuur en kunnen suikers perfect omzetten in alcoholpercentages van 11,5-12,5 %vol. die worden opgetekend voor champagnes en … hogegistingsbieren. Recent werden er zelfs giststammen geselecteerd die vlot 20 %vol. alcohol bereiken. Bovendien zakken deze gisten naar de bodem van de fles, waar zij gemakkelijk kunnen worden verzameld voor ‘remuage’ en ‘dégorgement’ van de champagne.
Diezelfde Saccharomyces Cerevisiae ken je wellicht ook als … bakkersgist waarmee je brood en deegbeslag laat rijzen. Het koolzuurgas dat wordt opgewekt, zorgt immers voor het ‘rijzen’. De geringe hoeveelheid alcohol die door deze geselecteerde gistvariëteit wordt geproduceerd, verdampt immers tijdens het bakken. De ‘glazen boterham’ is bijgevolg ook niet veraf; hoewel de uitdrukking nu wordt gebruikt voor een ‘glas bier’ was het in 1865 wel de cryptische omschrijving voor een glaasje jenever.

Nederlandse accijnswet trotseerde Belgische onafhankelijkheid

Koning Willem I regeerde slechts 15 jaar over de ‘Zuidelijke Nederlanden’, maar zijn accijnswet uit 1816 zinderde na tot een halve eeuw na de Belgische onafhankelijkheid.

Wanneer in 1815 de Republiek der Verenigde Provinciën (Nederland) en de Zuidelijke Nederlanden (België) worden samengevoegd tot het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden leverde het Huis van Oranje-Nassau de nieuwe koning. Hoewel Willem I amper vijftien jaar koning was, tot aan de Belgische opstand en onafhankelijkheid, zinderde zijn bewind nog bijna 70 jaar na onder Belgische brouwers.
Een wet uit 1816 bepaalde immers dat de accijns betaald moest worden op de netto-inhoud van de beslagkuip. De brouwers uit de Zuidelijke Nederlanden konden zich daarin vinden want zij maakten een dik beslag waarvoor zij één brouwaangifte indienden. Maar, zij verdunden het bier meermaals en maakten er een tweede of derde ‘trek’ uit. Die accijnsregeling ging echter volledig voorbij aan de moderne brouwtechnieken die opmars maakten. In het onafhankelijke België was aanpassing van die Nederlandse accijnswet geenszins prioritair waardoor de Belgische brouwers op de oude wijze bleven brouwen en uit één beslag meerdere bieren haalden. Waren die voor de consument te dun en te waterig, dan bestelde die er wel een jenevertje bij.
De Nederlandse brouwers schaarden zich al in 1867 achter een nieuwe accijnswet op basis van de gestorte hoeveelheid gerstmout, wat hen toeliet om ‘moderne’ lage gistingsbieren te brouwen.
In België blijft het wachten tot 1885 alvorens er enig schot in de zaak komt. Voorzitter van de toenmalige Belgische Brouwers, Louis Systermans, die ook volksvertegenwoordiger was, dient een nieuwe accijnswet in die op 20 augustus 1885 werd goedgekeurd. De accijnzen zouden voortaan worden geheven op de moutstorting. Hierdoor kon men ook gaan brouwen in meerdere ketels – beslagkuip en kookketel – en kon men overschakelen op de toen populaire, heldere, lagegistingsbieren. Het eerste, moderne, lagegistingsbier, werd in mei 1887 voorgesteld in La Grande Brasserie de Koekelberg en daarmee werd de basis gelegd voor de Belgische pilsbieren.

Twee flesjes Belgisch bier voor een Nobelprijs

In het Nobelprijsmuseum in Gamla Stan, het oude stadsgedeelte van Stockholm, prijken twee flesjes Belgisch bier. Hoe zijn die daar verzeild geraakt?

Het Nobelprijsmuseum werd in 2001 geopend in het oude beursgebouw van Stockholm. Na de ontvangst van een Nobelprijs is het gebruikelijk dat de laureaten een voorwerp aan het museum schenken dat hen op een of andere wijze heeft geïnspireerd tot hun baanbrekend onderzoek of dat hun persoon of onderzoek symboliseert. Meer dan 250 geschenken worden er getoond, van een pen of een schaar, tot een kledingstuk, een reiskoffertje of een wetenschappelijk instrument.
Tussen al die voorwerpen ook twee flesjes Belgisch bier, geschonken door de Belgische wetenschapper François baron Englert, een theoretisch fysicus die in 2013 samen met Peter Higgs de Nobelprijs voor Natuurkunde kreeg. Met de twee flesjes – een boekweitbier van 6% vol. en een speltbier van 5 %vol. van Brasserie de Silenrieux – eert hij zijn collega en vriend Robert Brout wiens portret is afgebeeld op de etiketten.
Zowat een halve eeuw lang werkten beide wetenschappers nauw samen. In 1964 publiceerden zij een onderzoek dat het pad effende naar de ontdekking van het befaamde Higgs-deeltje. Het duurde evenwel nog tot 2012 wanneer een proef in het CERN aantoont dat het subatomair deeltje wel degelijk bestaat.

Hoe imperial gallons leiden tot 75 cl.-flessen

Waarom hebben bier- en wijnflessen een inhoud van 75cl. of 750 ml. terwijl het metriek decimaal stelsel en de liter als eenheidsmaat werden ingevoerd tijdens de Franse Revolutie?

De oorsprong van de 75 cl.-fles die sinds jaar en dag courant wordt gebruikt voor het afvullen van bier, wijn en champagne gaat terug tot het zeventiende eeuws Engeland. De Engelsen waren toen de voornaamste klanten van de Franse wijnproducenten. Omdat de Fransen het metriek stelsel met de ‘litron’ of 1 kubieke decimeter gebruikten en de Engelsen hun eigen ‘imperial’ metriek stelsel hadden, werd een compromis gezocht met 75 cl. als kleinste gemene deler tussen beide metrieke systemen. De wijn voor Engeland – hoofdzakelijk Bordeaux – werd afgevuld in vaten (‘barriques’) van 225 liter of omgerekend 50 ‘imperial gallons’. 1 ‘imperial gallon’ kwam overeen met 4,546091879 liter.
Om een vat van 225 liter op flessen te kunnen trekken, werd vanwege boekhoudkundige vereenvoudiging gekozen voor 300 flessen van 75 cl. Je kon immers zes of twaalf flessen verpakken om respectievelijk 1 of 2 ‘imperial gallons’ aan een klant te verkopen. Of een vat van 225 liter verpakken in 50 kratten van 6 flessen of 25 houten kisten van 12 flessen. Grote vaten (‘tonneaux’) bevatten de inhoud van ‘4 barriques’, omgerekend 900 liter of 1200 flessen van 75 cl. Bovendien kon je uit een fles van 75 cl. zes glazen wijn van 12,5 cl. vullen. Een 75 cl.-fles verdelen over vijf proef- of degustatieglazen van 15 cl. is historisch eigenlijk fout.
Wanneer men destijds gekozen zou hebben voor flessen van 0,5 of 1 liter, hadden Fransen in Engeland nooit een ‘imperial gallon’ kunnen verkopen. Je zou die hele liter voortdurend moeten omrekenen naar 0,2199691574 imperial gallons.

Hemelse trappist

Trappistenbieren worden al eens omschreven als een hemels genot, dat je misschien wel tot in de zevende hemel brengt. Maar, tot bij de waterman is ook goed.

Op 40,66 lichtjaren van de aarde, in het sterrenbeeld van de waterman, bevindt zich de dwergster, 2MASS J23062928-0502285, ook wel bekend als Trappist-1. Bij bierliefhebbers klinkt dat begrip allicht vertrouwd want trappist staat bij velen op nummer één als hun favoriete bier.
Helaas, de naam is een afkorting maar de verwantschap met België is niet veraf. Het was immers een groep van astronomen onder leiding van Michaël Gillon van het Institut d’Astrophysique et Géophysique in Luik die in het La Silla-observatorium in de Chileense Atacama-woestijn de TRAnsiting Planets and PlanetesImals Small Telescope, ook wel Trappist-telescoop genoemd, om de ster te observeren tussen september en december 2015. Rond de ster draaiden ook drie planeten met afmetingen vergelijkbaar aan die van de aarde. Bijkomend onderzoek in februari 2017 wees op nog eens vier planeten.
Het cijfer 1 in Trappist-1 geeft aan dat het de eerste ster is die met de Trappist-telescoop werd ontdekt. De planeten die errond cirkelen, krijgen een letter, te beginnen met de b. De drie eerste ontdekte planeten zijn bijgevolg Trappist-1b, Trappist-1c en Trappist-1d.
Trappist-1 is minstens 500 miljoen jaar oud en kan tussen 4 en 5 biljoen jaar worden.
Om het Belgisch tintje qua naamgeving compleet te maken: Trappist-1 kadert in het Speculoos-project dat eveneens door de Luikse universiteit werd opgestart. Speculoos staat dan wel voor ‘Search for Planets EClipsing ULtra-cOOl Stars’, een project met vier telescopen die eveneens in de Atacama-woestijn worden opgesteld in het Paranal-observatorium. Waarom in de Atacama-woestijn? Door Unesco werd die uitgeroepen tot Starlight-reservaat omdat het samen met La Palma tot een van de beste locaties ter wereld is om de mooiste en meest talrijke sterrenhemel te zien.

Van mannelijke brouwsters en vrouwelijke brouwers

Vrouwen hebben onmiskenbaar een rol gespeeld in de geschiedenis van het brouwen van bier. In middeleeuwse, Engelstalige teksten, wordt eeuwenlang gesproken over ‘brewsters’ hoewel het bier er toen quasi uitsluitend werd gebrouwen door mannen.

In het oude Sumerische rijk, in Babylonië en Egypte gebeurde het brouwen van bier net zoals het bakken van brood door vrouwen. Vanaf de middeleeuwen, het ogenblik dat de monniken zich inlaten met het brouwen van bier (ca. 800) en dat de eerste ambachten en (mannelijke) gilden ontstaan (12e-13e eeuw), wordt het brouwen een mannentaak.
Vrouwen werden toen immers beschouwd als ‘handelsonbekwaam’. Maar, in oude , Engelstalige, teksten bleef het woord ‘brewster’ overeind. In Midden-, Noord-Engeland en Schotland kregen ambachten als bakken of weven meermaals het achtervoegsel ‘-ster’ om de beoefenaar ervan te duiden. ‘To bake’ werd ‘baxter’, ‘to weave’ werd ‘webster’, enz. Met de opkomst van de ambachten en nijverheden werden die taken ‘professioneel’ vervuld door mannen maar zij kregen geen aparte benaming omwille van hun geslacht en bleven ‘baxter’, ‘webster’ of ‘brewster’.
Tussen de elfde en de zestiende eeuw was ‘brewster’ de algemene term voor een brouwer, ongeacht of die mannelijk of vrouwelijk was. Nadien werd bier nog vrijwel uitsluitend door mannen gebrouwen. Alleen in het rijkere Zuid-Engeland werd de mannelijke term ‘brewer’ gebruikt, terwijl de ‘brewster’ elders aan de brouwketel bleef staan. In het Schotse dialect wordt overigens nog altijd gesproken over ‘brewster’, net zoals een mouter in het Engels nog steeds wordt omschreven als ‘maltster’.
Naar analogie met het eeuwenlang gebruikte ‘brewster’ om een vrouwelijke en een mannelijke brouwer aan te duiden, gebeurt nu vrijwel hetzelfde, maar dan omgekeerd, in het Nederlands. ‘Brouwer’ wordt in Van Dale omschreven als ‘iemand die bier brouwt’ en het begrip ‘brouwster’ of ‘brouwerin’ bestaat zelfs niet in het Nederlands. Niettemin zijn er in de Belgische geschiedenis sterke zakenvrouwen geweest die brouwerijen hebben geleid zoals de Antwerpse Anna Janssens (begin zestiende eeuw) die het befaamde Hessenhuis liet bouwen, Jeanne Artois (1762-1840) bij Artois in Leuven en Regina Wauters (1795-1874) bij Rodenbach in Roeselare. In hun voetsporen traden wijlen Rosa Blanquaert-Merckx – die tussen 1972 en 1990 Liefmans leidde – of An De Ryck, van de gelijknamige brouwerij in Herzele, die in 1977 afstudeerde als eerste vrouwelijke brouwmeester in België. Allen inspireerden een brede groep vrouwen die thans een brouwerij leiden, er actief zijn als brouwingenieur, die biergerelateerd wetenschappelijk onderzoek verrichten of die er als medewerker aan de slag zijn.

Craft beer, geen klein bier

Bij begrippen zoals ‘craft beer’ of ‘craft brewer’ waarmee rijkelijk wordt gezwaaid, wordt vaak gedacht aan kleine brouwerijtjes. Maar ‘craft beer’ is lang niet altijd klein bier.

De term ‘craft beer’ dook einde jaren ’70 begin jaren ’80 voor het eerst op in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië. Het werd vrij algemeen gehanteerd voor kleinere, onafhankelijke brouwerijen die zich onderscheiden met nieuwe aroma’s en smaken. Ook gebruiken zij veelal klassieke grondstoffen (gerst, tarwe) en geen ruwe granen (maïs, rijst) maar experimentele grondstoffen worden wel toegelaten. Soms wordt er gebrouwen op een eigenzinnige wijze maar bovenal zijn het brouwerijen die veel minder bier produceren dan de grote jongens. Maar wat betekent ‘kleiner’ nu precies.
In de VS spreekt men van een microbrouwerij wanneer die jaarlijks minder dan 15.000 barrels (ca. 18.000 hectoliter) produceert. Een ‘craft brewery’ mag er jaarlijks tot 6.000.000 barrels (7.040,866 hl.) brouwen. Die goed 7 miljoen hl is zo’n 600.000 hl meer dan het volume bier dat jaarlijks in België wordt gedronken. Het is iets minder dan de helft van het volume Belgisch bier dat wordt uitgevoerd en ongeveer één derde van al het bier dat in België wordt gebrouwen.
Terloops, in Nederland en Groot-Brittannië liggen de maximumvolumes per jaar met respectievelijk 1 miljoen en 0,5 miljoen hectoliter een pak lager dan in de VS. Hoewel er verschillende normen worden gehanteerd is ‘craft beer’ zeker geen ‘klein bier’, wat al eens de opmerking ontlokt dat België het land is van ‘real craft beer’ met talrijke kleine tot piepkleine brouwerijen die soms amper 250 tot 2500 hl. per jaar produceren.
Ook over die onafhankelijkheid valt wat te zeggen. In de VS mogen grote brouwerijen en drankenconcerns tot 25% bezitten van een ‘craft brewer’ en dat hebben zij zich geen tweemaal laten zeggen. Zo is AB Inbev mede-eigenaar van Goose Island, Blue Point, Shock Top, 10 Barrel Brewing, Four Peaks, Wicked Weed, Devils Backbone, Golden Road Brewing (US), Birra del Borgo (I), Camden Town (UK), Bosteels, Ginette (bierfirma). Heineken heeft Lagunitas (US), La Cibeles (E) en Beavertown (UK) in de portfolio evenals distributeur Beerwulf. Tot Carlsberg behoren London Fields (UK) en Grimbergen Abbey Beers (gebrouwen in de abdij). Duvel Moortgat is actief met Ommegang, Boulevard Brewing en Firestone Walker Brewing.

Geeft bier na wijn venijn?

‘Bier na wijn geeft venijn, wijn na bier geeft plezier’. Wat is er waar van deze algemeen verspreide opvatting? Bevat zij een grond van waarheid of is er meer aan de hand?

Hieromtrent werden al verschillende wetenschappelijke onderzoeken uitgevoerd. Allen kwamen tot de conclusie dat de volgorde waarin je die alcoholhoudende dranken nuttigt geen rol speelt, dan wel de hoeveelheid alcohol die je hebt gedronken.
Het gaat bijgevolg eerder om volkswijsheid van uiteenlopende, vaak Middeleeuwse, oorsprong. Wijn werd geassocieerd met de adelstand en de rijke burgerij, die het zich kon veroorloven om die dure drank aan te kopen. Deze hogere lagen van de bevolking spraken doorgaans smalend over de gewone man en vrouw, armen en werklui en noemden hen ‘het venijn’. De spreuk verwijst derhalve eerder naar de sociale status. Na een feestje in het kasteel – waar wijn werd gedronken – mengden de aanwezigen zich soms onder het ‘venijn’ waar het bier vaak rijkelijk vloeide; ‘bier na wijn is venijn’. In omgekeerde beweging ruilden zij het volksfeest met zijn bier in voor de wijn in het kasteel, en zo gaf ‘wijn na bier plezier’.
De Nederlandse zegswijze is mogelijk geïnspireerd op het Franse “Vin sur lait c’est souhait, Lait sur vin c’est venin”, waarbij melk verwijst naar de (brokken-)pap die de maaltijd uitmaakte bij de lagere bevolkingsklassen. In het Duits klinkt het gelijkaardig “Wein auf Bier, das rath’ ich dir, Bier auf Wein, das lasse sein”.
Vanuit die Middeleeuwse achtergrond symboliseerde de uitdrukking ook dat je jezelf maar beter kon opwerken om na verloop van tijd het drinken van bier te kunnen inruilen voor het drinken van wijn. Wanneer je na een periode van wijn in je leven moest teruggrijpen naar bier betekende het eigenlijk dat je in armoede was gevallen.
Maar, in de Engelse volkswijsheid denkt men er net andersom over. Daar klinkt de zinsnede namelijk ‘Beer before wine, you’ll feel fine, wine before beer and you’ll feel queer’, zinspelend op het feit dat je van wijn een drogere mond krijgt dan van bier en dus dorst krijgt van wijn.

Op wolvenjacht met Hendrik VIII en Luther

De Duitse theoloog Martin Luther was niet alleen de grondlegger van de reformatie. Hij was ook enigszins een pleitbezorger voor gehopte bieren in plaats van gruitbieren waarin gagel werd verwerkt.

Wanneer Martin Luther (1483-1546) in 1517 zijn academische stellingen poneert tegen de leer van de katholieke kerk, kant hij zich ook tegen het onrechtstreekse monopolie dat zij hadden op de verkoop van gruit. Hop werd immers beschouwd als een weelderig tierend onkruid. Was de Latijnse benaming ‘Humulus Lupulus’ niet afgeleid van ‘humus’ wat grond of aarde betekent? En verwees ‘lupulus” niet naar ‘lupus’ of wolf? De hop kronkelt immers wurgend omhoog, net zoals de wolf zijn prooi wurgt. In het Engeland van Hendrik VIII (1491–1547) werd de hopteelt zelfs verboden omdat men dacht dat de immens en razendsnel woekerende plant de mensheid zou wurgen.
Bovendien had abdis Hildegard van Bingen (1098–1179) rond 1150 in haar Physica Sacra al beschreven dat hop mannen licht maakte in hun hoofd, ervoor zorgde dat zij er melancholisch en neerslachtig van werden en dat de hop slecht was voor hun testikels. Zij stelde wel vast dat bier gemaakt met hop langer kon worden bewaard dan niet gehopt bier.
Volgens Martin Luther had Hildegard van Bingen gelijk wanneer ze zei dat hop rustgevend is en je in een roes brengt; na het drinken van gehopt bier sliep hij veel beter want het alom tegenwoordige gruitbier liet hem hallucineren (door het overdadig gebruik van gagel) en hij beschouwde het ook als een afrodisiacum. Wanneer je je als brouwer in Duitsland wou afzetten tegen de katholieken kon je volgens hem maar beter gaan brouwen met taksvrije hop dan wel met gruit.
Wie de christelijke leer ernstig wou volgen, dronk, volgens Luther, beter het protestantse hopbier. In de briefwisseling met zijn vrouw loofde hij meermaals het gehopte bier. Hoog had hij het er evenwel niet mee op want ooit verklaarde hij te willen dat brouwen nooit was uitgevonden. “Je hebt er immers zodanig veel graan voor nodig en er wordt niets goed mee gebrouwen”, aldus Luther die daarmee verwees naar het overdadig bierverbruik.

Waar komen al die bubbels vandaan?

Niets zo aantrekkelijk als een glas bier waarin bubbels omhoog parelen die het bier een sprankelend karakter geven. Afhankelijk van de bierstijl, het glas en de netheid ervan zijn het er tussen 200.000 en 2.000.000. Maar hebben die bubbels ook enig nut?

Al die bubbels kunnen je ook iets vertellen over de kwaliteit van je bier, op voorwaarde dat je het ook uitschenkt in onberispelijk zuivere glazen. Het aantal bubbels en hun grootte wordt bepaald door de gebruikte ingrediënten, de brouwwijze en de gisting. Zij ontstaan tijdens de gisting wanneer de suikers in het wort worden omgezet in alcohol en koolzuur. Die koolzuurbelletjes dragen bij tot het aroma, de smaak en de rondheid of volmondigheid) van een bier.
Zij voeden ook de schuimkraag en hoe langer die blijft, hoe aantrekkelijker dat glas bier oogt. Vandaar dat heel wat merkglazen op de bodem zijn ingekrast met zogenaamde nucleatiepunten, van een eenvoudige kras tot een uitgewerkte beginletter of een logo. Bij het uitschenken nestelen de koolzuurbellen zich in die oneffenheid van waaruit zij constant opborrelen. Op die manier accentueren zij het verfrissende en parelende karakter van het bier en maken zij het ook vlotter drinkbaar. Uitzondering zijn de alcoholvrije bieren die doorgaans minder sprankelend zijn, zo blijkt uit recent onderzoek van de KU Leuven.
Bier dat te lang is uitgeschonken heeft een zwaar gehavende, bijna afwezige schuimkraag, is plat en smaakloos omdat het koolzuur eruit is verdwenen. Terugkomen doet het niet en het heeft dus ook geen zin om bijvoorbeeld met een mes in je glas te roeren om de schuimkraag te herstellen.
Integendeel, je maakt het alleen maar erger en jaagt het nog beperkt aanwezige koolzuur er helemaal uit waardoor het bier nog platter en fletser gaat worden. Evenzo verdwijnt het koolzuur uit een geopende fles waardoor het minder gaat schuimen. Wanneer de fles al enige tijd is geopend, oxydeert het bier en gaat het vrij snel naar papier of karton smaken.

Hoe oud-president Jimmy Carter aan de basis lag van de craft brewers

Jimmy Carter, de Amerikaanse oud-president die op 29 december 2024 overleed, is niet alleen de man achter de Camp David-akkoorden tussen Isräel en Egypte en de overdracht van het Panamakanaal. Ook in de bierwereld schreef hij geschiedenis. Op 14 oktober 1978, bijna een halve eeuw na de drooglegging ondertekende Jimmy Carter een wet die het thuisbrouwen in de Verenigde Staten opnieuw mogelijk maakte. Door de zogenaamde Prohibition Act (1920-1933) werd een ooit bloeiende activiteit van thuis brouwen verboden terwijl men wel wijn mocht maken. Einde jaren ’70 telde de VS zelfs minder dan 100 brouwerijen die overwegend neutrale bieren maakten.

Met zijn wet trad de Democratische Jimmy Carter – die zich kantte tegen de meeste alcoholische dranken – in 1978 in de voetsporen van de Republikein Gerald Ford die in 1976 al een belastingverlaging met 20% verleende aan kleine commerciële brouwerijen. In datzelfde jaartal, 1976, hadden verschillende thuisbrouwers, gesteund door de Californische senator Alan Cranston, al stappen tot legalisering gezet, weliswaar tevergeefs.

Met de ondertekening van bul 1377 opende Jimmy Carter de weg officieel. Stap voor stap, staat voor staat, werd het thuis brouwen gelegaliseerd en ontstonden, geïnspireerd op een trend in Engeland, kleine huisbrouwerijen, ook wel ‘craft brewers’ genoemd. De afschaffing van het verbod op thuis brouwen ontketende een ware revolutie in het Amerikaanse bierlandschap in zoverre dat men er nu al zo’n 10.000 brouwerijen telt, waarvan zo’n 90% vaak illegaal thuis is beginnen brouwen.

Eigenlijk was de ‘craft beer’-revolutie in de VS al halfweg de jaren ’60 op gang gekomen toen financiers in 1965 de Anchor Steam Brewing Company in San Francisco van de ondergang redden. In diezelfde periode werden ook nieuwe Amerikaanse hopvariëteiten zoals Cascade en Centennial vrijgegeven voor commercieel gebruik, hopvariëteiten waarmee de ‘craft brewers’ zich konden onderscheiden van de gevestigde, grote, brouwerijen. 

Hoewel het verbod op thuis brouwen in de Verenigde Staten op 1 februari 1979 federaal werd opgeheven, duurde het nog tot 2013 alvorens Mississippi en Alabama er als laatste staten mee instemden.

Traditionele session ales van eigen bodem

Smaakvolle bieren van maximaal 4,5 %vol krijgen vaak het predicaat ‘session ale’, net alsof er geen authentieke Belgische varianten bestaan. Die moeten wij zeker niet verloochenen want zij hebben een stevige voorgeschiedenis.

Voor de herkomst ervan wordt meestal verwezen naar de Engelse munitiefabrieken waar arbeiders tijdens de Eerste Wereldoorlog een korte ‘session break’ of pauze kregen. Om de lange en zware werkdagen door te komen, dronken zij graag een glas bier. Opdat hun productiviteit en de veiligheid er niet zou onder lijden, werd een lichter bier geschonken, de zogenaamde ‘session ale’.
Vanuit de ‘craft beer’-wereld is het één van die ‘herontdekte bieren’. Doorgaans gaat het niet om een specifieke bierstijl maar is het veeleer een lichtere variante van een bestaand bier. Zo zijn er bijvoorbeeld session tripels, session IPA’s en session saisons.
Maar, wij, Belgen, hoeven onze biergeschiedenis niet te verloochenen en helemaal niet onder te doen voor die inspirerende ‘session ales’. Meer nog, Belgische brouwers zetten al vele jaren smaakvolle licht alcoholische bieren in de markt, lang voor de ‘session ales’ vanuit Engeland en de Verenigde Staten overwaaiden. Meest bekend zijn ongetwijfeld de monniken- of refterbieren zoals Westmalle Extra, waarvan de oorsprong terug gaat tot 1836.
Het gaat in België niet alleen om de ‘Extra’s’ (maximaal 4,5 % vol.) die kunnen bogen op een specifieke receptuur. Onder die limiet zijn er ook nog de tafelbieren, die weliswaar serieus hebben ingeboet aan populariteit. En wat te denken van de brede waaier aan fruitbieren, op basis van lambiek of witbier, waarvan het alcoholgehalte meestal schommelt rond 3,5 %vol.?